woensdag 14 september 2011

27 "This is the end..." (epiloog)

========================================================================
EDIT: de (voorlopig) 3 laatste foto's staan vooraan in het meest recente album. "Profiteert ervan, 't zen de leste!" :)
========================================================================

This is the end,
Beautiful friend

This is the end
My only friend, the end

Of our elaborate plans, the end
Of everything that stands, the end
No safety or surprise, the end...

~The Doors, 1967~



Beste lezer,

Het schrijven aan een nieuw, up-to-date verslag vlot niet, zoals je wellicht al had gemerkt. Er is zoveel nog gebeurd, we weten niet goed waar te beginnen. Vandaar: diegenen die nog geïnteresseerd zijn in een reisverslag van de laatste weken [Myanmar – Maleisië – Thailand], zondag (18/9) landen we om 14u45 op Zaventem :)

Met onze reis door Myanmar was het net alsof we een stapje terug in de tijd gezet hadden. Het land intrigeerde ons enorm, onder meer door de restricties (en controles) die je als reiziger ervaart, maar zeker ook omwille van de prachtige landschappen & de vele ambachten die anno 2011 nog beoefend worden. Vanaf Kuala Lumpur, Maleisië, volgden we de westkust tot aan de eilanden Penang & Langkawi. Van daaruit staken we de grens met Thailand over, deden nog wat “island-hopping” en spoorden de laatste etappe tot in Bangkok, ten derde male.
De cirkel is rond.
We komen naar huis.

Het wordt dringend tijd om alle indrukken, vanaf de eerste dag op Nieuw Zeelandse bodem -nu 10 maanden geleden- te laten bezinken. Dat het een absoluut geweldige reis geweest is, daar zijn Laurie & ik allebei van overtuigd (met of zonder fietsen)!

Voor de moment zijn we in Bangkok en maken ons klaar voor vertrek huiswaarts. De voorbereidingen vlotten goed, zo goed zelfs dat we momenteel voor staan op schema! Het worden nog een paar laatste dagen genieten van het warme klimaat van zuidoost-Azië, van de Thaise keuken en van de mensen die altijd lijken te lachen...

Het was fan-tas-tisch!



No one realizes how beautiful it is
to travel until he comes home
and rests his head
on his old, familiar pillow.

~Lin Yutang~

woensdag 31 augustus 2011

efkes tussendoor...

EDIT 2: een nieuw album "THAILAND 4" toegevoegd [10 september]
EDIT: nog 6 foto's van het eiland Langkawi toegevoegd [5 september]

de eerste foto's die we in Georgetown (Penang-eiland, Maleisië) gemaakt hebben staan in het eerste album op de fotopagina :) [Georgetown, 31 augustus]

De foto's van Kuala Lumpur vind je hier

zondag 14 augustus 2011

26 Groeten uit Myanmar!

========================================================================
EDIT 2: de foto's, inclusief 15 nieuwe, staan in het album "Myanmar" op de fotopagina [Yangon, 19 augustus]

EDIT: eindelijk is het ervan gekomen om 1. internet te vinden en 2. via heel wat omwegen op onze blog te raken. Er is dus een nieuw bericht! Myanmar heeft een censuurbeleid en laat ons -zelfs niet via omwegen- toe foto's op onze blog te zetten. Onze foto's staan op onze Flickr-pagina .Van zodra we ze hier rechtstreeks kunnen posten, vind je een nieuw album "Myanmar" op de foto-pagina :)[zondag 14 augustus, Mandalay]
========================================================================

Beste lezer,


We zijn weer een paar weken verder sinds het vorige verslag –de tijd vliegt!- en geven u bij deze graag een idee van wat we in tussentijd zoal hebben beleefd. Net als de nieuwe foto’s, volgen hier enkele impressies:


Een drietal weken geleden, staken we de grens over en ruilen Cambodja in voor Thailand. Er veranderde daarmee weer het één en ’t ander: onze smaakpapillen kregen terug een hoge dosis rode pepers te verduren, het Monopolygeld dat US Dollars zijn ruilen we in voor Baht en qua infrastructuur gaat het er weer een beetje op vooruit. Er is beduidend meer economische activiteit met tal van olieraffinaderijen en grote industriële zones die onderweg in het oog springen. Huizen zien er meer solide uit in vergelijking met die aan Cambodjaanse zijde. We blijven enkele (luie) dagen op het eiland Koh Chang en reizen daarna met één tussenstop door naar de hoofdstad. Net buiten Sri Racha, een niet zo interessante stad in een niet zo interessant deel van het land, springen we op het ene derdeklasse treintje dat dagelijks naar Bangkok spoort. Ook al duurt het langer, het was een zalig gevoel om niet in een bus te zitten. Geen geschater van passagiers die ‘goed gaan’ op de -voor ons- geweldig flauwe humoristische feuilletons of Chinese actiefilms. Geen karaoke! Alleen het repetitieve “kèdeng” van de wielen over de spaties tussen de sporen en het geratel van de ventilators aan het plafond. Vrouwtjes lopen af en aan met schotels vol gefrituurde snacks en water. Monotoon verkoopsgeroep vult de wagons. Heel smakelijk ziet het er allemaal niet uit, maar bij nadere inspectie zijn de “Thaise trein-satékes” best goed bevonden.
Uren later rijden we aan een slakkentempo door de buitenwijken de stad binnen en zien een andere kant van de sinds kort nummer één der meest geliefde hoofdsteden ter wereld, de metropool die bij reizigers vaak enkel als een soort walhalla in hun geheugen gegrift staat. Vlak naast de spoorweg staan huisjes, hutjes eerder, waar jong en oud zich wast met het water dat voorhanden is. De stad blaast zijn smog de wagons binnen… Uitgeteld komen we aan in het ‘centrale’ station Hualamphong, terug waar we elf weken geleden vertrokken zijn. Het was fijn om weer in een omgeving te zijn die bekend is en waar we onze weg kennen. Zeker na maanden reizen doet het deugd om doelgericht richting bestemming te kunnen gaan.
In Bangkok blijven we uiteindelijk een week. Topprioriteit zijn terrasjes, de jacht op splinternieuwe en ongekreukte Amerikaanse Dollars (genoeg om drie weken van te leven) en twee bezoeken aan de ambassade voor onze visa voor Myanmar.


Woensdag 3 augustus, Yangon:

het regent pijpenstelen als we met onze paspoorten in de hand in de aankomsthal staan van de luchthaven. Het is al donker. Een gedeelde taxirit brengt ons tot in het centrum van de stad. Onze rugzakken liggen in de koffer van een oud Toyota’tje, die niet meer dicht gaat.
’s Anderendaags versterkt een gevoel van even terug in de tijd te gaan onze eerste indruk van Myanmar. Wat meteen opvalt zijn de vele auto’s uit de seventies die door de straten rijden, net als de overvolle aftandse jaren ’50 Hino-bussen en Dodge-vrachtwagens. Roestkleurige spuwvlekken van de oppeppende betelnoot liggen als plassen bloed op straat. Vrouwen hebben, zo lijkt het althans, een dunne laag klei op de wangen [thanakha], een natuurlijk schoonheidsproduct dat ze gebruiken om zich tegen de zon te beschermen. Voor het eerst zien we ook dat praktisch alle mannen rokken [longhyi] dragen.


Tijdens de paar dagen dat we Yangon verkennen en de bedrijvigheid van zijn zes miljoen inwoners in ons opnemen, zijn er drie plaatsen die ons het meest zullen blijven. Twee ervan zijn Theinghyi Zei en de markt van Bogyoke Aung San, ook gekend als Scott Market, waar binnenin de oude gebouwen en in de straten rondom het aanbod kleurrijke specerijen, groenten en fruit alle aandacht opeist. Stoffen liggen in alle mogelijke tinten opgestapeld in en voor hoge houten kasten en naast plastic emmers, borstels en speelgoed uit China, is ook de keuze in juwelen van zilver of edelstenen of zelfs hier en daar wat antieke stukken groot (al dan niet replica’s). De markten, zeker de tweede, zijn tevens ook de places to be voor reizigers om aan een schappelijke wisselkoers kraaknette dollars in te ruilen voor dikke bundels Kyat. Zich een weg banen door de markten is een gegarandeerde explosie van prikkels die de hersenen op het eind van de dag omzetten in een gevoel van “moe maar voldaan”. Een streling voor het oog is het zeker! Voor de neus soms iets minder.

Een andere plaats die zeker en vast indruk gemaakt heeft is de gouden Shwedagon pagode [hier heet het zedi of stupa], de belangrijkste van de stad. Kort nadat je als bezoeker op blote voeten de overdekte trappen bestijgt en de Scherpenheuvel-achtige taferelen, waar langs weerszijden allerlei religieusgetinte koopwaar de passanten opwacht negeert, wordt je overweldigd. De immense hoeveelheid pracht en praal is de eerste seconden niet te overzien, wat resulteert in ieders sprakeloosheid. We wandelen rond het complex en ontdekken al gauw dat er veel meer te zien is dan de grote pagode alleen: kleinere tempels en zedi’s rondom Shwedagon Paya, paviljoenen en Boeddha-beelden in diverse formaten. Een geestig detail misschien: de Boeddha’s worden dikwijls “verlicht” door rood en blauwe LED-lampjes die in een mandalavorm achter het hoofd flikkeren.
Naast het (blad)goud –een bedrag om U tegen te zeggen- is er ook een massa robijnen, smaragd en diamant toegevoegd tot deze ‘schitterende’ Shwedagon Paya.

Opvallend is ook de grote aanwezigheid van boeddhistische monniken op straat. Van mannen wordt er verwacht dat ze zeker twee maal in hun leven als devoot monnik in het klooster wonen. Tussen hun 10e en 20e levensjaar als aspirant, zeg maar[samanera] en één keer ergens na hun 20ste als volleerde monnik [hpongyi]. Voor vrouwen ligt het anders, ze kunnen –voor zover we weten- non worden, al is de verwachting kleiner dan bij mannen (eerlijkheidshalve moeten we bekennen dat ’t ons ook niet helemaal duidelijk is hoe de vork aan de steel zit). Tijdens hun tijd in het klooster zijn ze compleet afhankelijk van de donaties van de samenleving, verkregen door dagelijkse aalmoezen, en mogen enkel een scheermes, een tas, filter om insecten uit het drinkwater te halen, een paraplu en een bedelnap bezitten. De meeste monniken vermijden ons om een gift (meestal in de vorm van ongekookte rijst of wat geld) te vragen, toch zijn er sommigen die het wel durven en vlak voor ons komen staan en zwijgend met de ogen op hun bedelnap wijzen. Elke man wordt overigens gezien als potentiële nieuwe Boeddha. Dat verlicht wellicht ook de pijn van het vooruitzicht om een jaar ofzo in ‘t klooster te vertoeven…


Myanmar (of ‘Birma’) blijft toch zijn mysterieuze bijklank behouden, hoewel het dezer dagen best toegankelijk is voor buitenstaanders. Althans, toch zeker bijvoorbeeld in vergelijking met Himalaya-staat Bhutan. Je kan er individueel reizen, al zijn er heel wat beperkingen. Er zijn een heel aantal gebieden die helemaal zijn afgesloten of die alleen bereikbaar zijn met een gids, chauffeur en een rits permits. Wij beperken ons in deze drie weken dan ook tot het “reguliere circuit”.

Daaronder valt uiteraard de tempelvlakte van Bagan, zowat het enige dat we voor vertrek wisten van het land en dat dan ook een must do werd. Bagan, Bagan, almachtig Bagan. Tempels die dateren van 800 na Chr. tot ruwweg ergens uit de 14e eeuw. Men schat dat er nog zo’n 4000 exemplaren de tand des tijds hebben doorstaan. Wanneer we om 4u30 met de nachtbus van Yangon in Nyaung U arriveerden, hadden we geen flauw idee van de omvang en nauwelijks van wat ons te wachten stond. Op het laatst reden we zelfs vlakbij enkele van de tempels, maar omdat het donker was, kon het landschap nog geen tipje van de sluier lichten. Met paard en kar vonden we na wat zoeken (naar een vroege vogel/nachtraaf) een geschikt onderkomen voor de rest van de nacht. Wanneer de zon al hoog aan de hemel stond en de hitte stilaan zijn dagelijkse hoogtepunt bereikt had, sprongen we voor de tweede keer mee op de kar (letterlijk). We waren uitgerust en klaar om de belangrijkste tempels en pagodes van Old Bagan te ontdekken.
De eerste keer bovenop een pagode zullen we niet snel vergeten. Wat een magnifiek uitzicht! Overal, tot aan de horizon, staan witte maar vooral okerkleurige of bruine tempels. Kriskras verdeeld over de vlakte. De eerste dag verkenden we de centraal gelegen tempels, gevolgd door een dag ‘rust’ (o.a. een uitgebreid bezoek aan de markt van het dorp en vanop het dak van de guest house het dorpsleven observeren). De twee resterende dagen vulden we met een fietstocht over verharde banen en smalle zandpaddekes van de vlakte, opzoek naar de meer afgelegen tempelgebouwen. De streek rond Bagan wordt tot de droogste van het land gerekend en dat merk je. Zand waait op en de temperaturen in de namiddag zijn loeiheet. Omdat je, ongeacht het een ruïne is, je schoenen moet uitdoen bij het betreden van de tempels (of de grond rondom), is het vaak een kwestie van te maken dat je in een mum van tijd ergens in de schaduw staat. Of toch met beide voeten. Dat bakstenen niet voor niks “BAK-stenen” heten, kunnen we nu wel bevestigen!
Op de laatste dag stoppen we voor een eetpauze in een klein dorpje onderweg. Zittend op de houten bank, horen we het geroep van kinderen, die in het schooltje aan de overkant van het zandweggetje enthousiast de tafels van vermenigvuldiging (denken we) oefenen. Op het erf zien we de vader van de familie aan het werk. Hij is ambachtelijk wielenmaker voor ossenkarren voor alle dorpjes in de omtrek. De dochters maken naast lekker eten, kleurrijke stoffen van katoen. Veel meer dan wat hutjes van hout, bamboe en gedroogde palmbladeren, cactussen en wat restanten van een groep tempelruïnes (in de velden, net buiten de oude muur) is er niet. Het leven gaat er z’n rustige gangetje. Het roept herinneringen aan Bokrijk op. Mens en dier zoekt de schaduw op en spaart alle inspanningen voor later die dag.

We zijn nog altijd zwaar onder de indruk van al hetgeen we in Bagan gezien hebben en durven zelfs te stellen dat het allemaal nog een stap verder gaat dan de machtige tempels rond Angkor Wat. ’t Is niet niks dat te stellen, al heeft wellicht ook te maken met het overzicht dat je hebt als je na wat zoeken in een hoekje dat ene smalle gangetje vindt, op de tast naar boven klautert en staart naar de horizon. Een ander verschil is dat de meeste toeristen (nog altijd heel relatief in Bagan of zelfs Myanmar) enkel de tijd heeft om het centrale deel bezoeken. Eenmaal verder weg waren we vaak de enigen in de wijde omgeving. We denken terug aan de tempels van Angkor en kunnen het ons moeilijk inbeelden…


De aantrekkingskracht van treinreizen op ons is gigantisch, dus konden we de kans niet laten liggen om een stukje van de 2900 mijl aan 'ijzeren weg', een idee van de Britten indertijd, te verkennen. Het traject Bagan-Mandalay was memorabel! De slechtste spoorwegervaring totnogtoe is absoluut zeker Myanmar!
Het was nog halfdonker wanneer we gepakt en gezakt ons kamertje achter ons lieten. Mooi op tijd kwamen we met een compacte oldtimer pick-up aan bij het station. Er was nog ruimschoots de tijd voor een ontbijt van lichtpikante rijst en een gekookt eitje op het perron tussen de uiterst nieuwsgierige locals. Zes uur was het.
Door omstandigheden vertrok de trein, voorzien voor 7uur, uiteindelijk pas om kwart voor negen..

"You don't need a disco in Myanmar. Just listen to techno and sit on a train – it'll do the dancing for you" [Myanmar local, uit Lonely Planet, editie 10, 2009]


Met momenten was het niet moeilijk in te beelden hoe het voelt om in een storm op zee te zitten. De trein verlaat het station, Laurie en ik kijken elkaar lachend aan en ik zeg: “zen welle hie op nen boot gestapt jom?” De wagons slingerden van links naar rechts en als ze dat niet deden, schommelden we krachtig op en neer. Met wie we de blikken kruisten, wisselden we een glimlach uit en concentreerden ons op één ding: op onze stoel blijven zitten en wachten tot er weer een 'stabiel' stuk aankwam.
De treinbilzen liggen verre van vast op de grond, met vaak een behoorlijke spatie. Geen wonder dat een rit met een trein met tien wagons ofzo hier stevige zeemansbenen vereist! Acht uur later en vele curieuze (lees: overdreven) starende blikken later komen we eindelijk uitgehobbeld aan in Mandalay....


Een dag achterop een kleine blauwe Mazda pick-up (bouwjaar 1960), gaf ons een globaal beeld van de omgeving van de tweede grootste stad van het land. Er zijn nog sporen van oude steden, zoals Sagain en Inwa, die ooit vol leven zaten en tot de belangrijkste behoorden van het toenmalige koninkrijk. We zagen die dag de zonsondergang van op het water en keken naar de mensen die over de tweehonderd jaar oude teakbrug (U Bein, 1.2km) liepen en stilaan silhouetten werden op het meer. De ultieme afsluiter, net voor we terug de stad inreden, was een ceremonie waar we toevallig op stuiten in de gouden Mahamuni Paya. Oude naoorlogse ‘Chevy’-bussen zonder ramen (die mits een lek olie nu en dan mogelijk hun honderdste verjaardag zullen vieren), pikken de laatste passagiers op. De drukte maakt stilaan plaats voor de nacht…



Als afsluiter enkele feiten over Myanmar’s zijn recente verleden. In een notendop een paar markante gebeurtenissen van de afgelopen jaren:


- Nobelprijs voor de vrede-winnares Aung San Suu Kyi vroeg in 1991 het land te boycotten, hetzij op economisch vlak, hetzij op het vlak van toerisme. Sinds toen is ze de meeste tijd onder huisarrest geplaatst. Begin dit jaar is ze voor de zoveelste keer terug vrij. Het wordt afwachten wat haar prodemocratische standpunten ten aanzien van het regime zullen zijn…

- 2005: Yangon is niet langer de hoofdstad. Junta-leider Than Shwe beslist dat Nay Pyi Taw (“Royal Capital”) de nieuwe hoofdstad is, zowat halverwege tussen Yangon en Mandalay. Het zou om strategische redenen zijn om een invasie op het geografisch kwetsbare Yangon te voorkomen. Deze 'zet' kostte -zoals u het zich zeker zult kunnen voorstellen- de staat een gigantische greep uit de schatkist, geld dat nuttiger besteed kan worden in een land als Myanmar. Wereldwijd wordt dit fel bekritiseerd, maar buiten een internationaal handelsembargo (met als hoofdreden: schending van de mensenrechten) kan er weinig tegenin gebracht worden.

- 2007: monniken staan aan de basis van de grootschalige protesten tegen de plotse drastige stijging van de brandstofprijzen. Hoewel Myanmar van alle landen in zuidoost-Azie de grootste brandstofreserves zou hebben, verdubbelde toch de benzineprijs en werden de prijzen van aardgas maar liefst vervijfvoudigd. Waanzin! Dit had –en heeft tot op heden- een enorme invloed op het dagelijkse leven van de Birmanen. Er werd ABMA [All Burma Monks Alliance] opgericht. Voor het eerst keerden monniken zich luidop in het openbaar tegen het militaire regime en spraken van een "evil military dictatorship". Een echte reden voor de stijgende prijzen is er officieel nooit gegeven. Misschien was de nieuwe hoofdstad toch wat te duur?

- 2008: in de naloop van de straatprotesten, enkele dagen voor het eerste referendum sinds 20 jaar, treft cycloon Nargis de Ayeyarwady Delta. De schade is immens. Naar het officiële dodenaantal blijft het gissen, maar een veelgenoemd cijfer is 140,000 dat wordt geplakt op de doortocht van de zware cycloon. De overheid accepteert pas na een maand (!) buitenlandse hulp [ter vergelijking: 9 dagen na Nargis treft een hevige aardbeving Sichuan, China. De overheid handelde meteen en bracht al na anderhalf uur buitenlandse hulp op gang]. Het referendum (i.v.m. wijziging van de grondwet) ging door volgens schema...


We blijven het alleszins geweldig boeiend vinden en kijken reikhalzend uit naar de dagen die komen!

dinsdag 19 juli 2011

25 Floating on the waves of freedom

---------------------------------------------------------------------------------------------------------
Edit 2: eerste 3 foto's in het album "Thailand 2" [25 juli]
Edit: 9 nieuwe foto's toegevoegd op het eind van "Cambodja 2" [20 juli]
---------------------------------------------------------------------------------------------------------


Beste lezer, houdt U vast aan de takken van de bomen, want omdat het weer een tijdje geleden is dat hier nog wat nieuws te rapen viel, volgt een verslag dat qua lengte zijn eigen record verbreekt. Drie, twee, één, Start:


“Once you’ve seen one of them, you’ve seen them all”, zei iemand ooit over de machtige tempels van Angkor. “Definately not true”, zouden we nu kunnen zeggen, nog steeds onder de indruk van de immense portie Angkoriaanse architectuur. Nog anders dan Ayutthaya of Sukhothai, blijven de tempels een zekere waardigheid behouden uit de gloriedagen. Het zit ‘em misschien in de ruwheid, in de diep gewortelde geschiedenis, al mag geen één van deze drie sites met elkaar vergeleken worden. Op de eerste dag kozen we voor de fiets om de centraal gelegen tempels te verkennen rond Angkor Wat, (groot)moeder van alle tempels. Laurie wist hiervoor een behoorlijke mountainbike te strikken, terwijl ik de kans niet kon laten schieten om als tweewieler een museumstukje te kiezen. Chinees fabricaat; made in Shanghai in de jaren stillekes. Het gebied waarin de tempels rond Angkor Wat liggen is enorm uitgestrekt. Alleen al door min of meer de small circuit te volgen kwamen we aan 30km op de teller op ’t eind van de dag…

Voor de meer afgelegen tempels huurden we een tuktukchauffeur voor een dag en combineerden steen met hout: een rit naar de paalwoningen van Kompong Pluk. Na een lange roestbruine gravelweg, arriveerden we bij enkele tenten. Mannen staan tot aan hun borstkas in het water en gooien netten uit. Hier en daar werkt iemand aan de omgebouwde motoren van de houten bootjes. Een jonge kerel doet teken dat we aan boord mogen en we nemen als enigen plaats op de losstaande bamboestoeltjes. Wat het dorp juist bijzonder maakt is dat het opgebouwd is aan de oevers van een mangrovebos, tussen land en het Tonlé Sap-meer. Het zijn stelthuizen, van zeven meter en hoger; essentieel wanneer het waterpeil drastisch stijgt (zou meermaals per jaar gebeuren). Als we na een omweg via het meer aanleggen in het centrum van het dorpje, lijkt de omgeving surrealistisch; net een filmdecor.


Niemand verlaat Siem Reap, door de ligging vlakbij bij Angkor Wat stad nummer één voor buitenlandse bezoekers in Cambodja, zonder overweldigd te worden door de vele ietwat opdringerige bedelaars die in het centrum actief zijn. Onder hen zijn er veel kinderen die postkaarten en gekopieerde boeken verkopen en mannen die de aandacht trekken door hun missende arm(en) of be(n)en –al dan niet vanuit een rolstoel. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat gaan ze alle terrassen en restaurantjes af en proberen telkens weer diezelfde basic conversatie aan te knopen in ruil voor wat riel of een dollar. Het is vaak alles dat ze kunnen doen en dus ook hun enige inkomen. Als mens zet het je aan het denken. Geven, niet geven? Hoeveel? Waarom de ene wel en de andere niet? We zijn er ons ten volle van bewust dat bedelen voor heel wat mensen hier een kwestie van leven of dood is (zeker voor mensen met lichamelijke handicap, o.a. veroorzaakt door landmijnen), maar waar houdt het op, hoe zoek je een goed evenwicht hiervoor? Een moeilijke oefening.
Na een scheerbeurt bij ‘t plaatselijk barbiertje en vijf dagen later, werd het weer tijd om verder te gaan. Verder in de richting waar de zon onder gaat…

Via het Tonlé Sap-meer en vervolgens stroomopwaarts via de rivier, bereikten we na 9uur de stad Battambang. De overtocht zelf was bikkelhard in een te kleine boot, iedereen zat dicht opeen gepakt en rechtstaan was onmogelijk. Daar tegenover stond het prachtige landschap waar de boot doorheen gleed, langs tal van floating villages, die uniek zijn voor de streek, waar mensen leven en sterven op het water. Het water meandert tijdloos door het vlakke Cambodjaanse noord-westen.


Battambang is één van de weinige plaatsen in Cambodja waar de bamboetrein, a.k.a norry, nog op de rails staat. Maar niet voor lang, want er wordt duchtig gespeculeerd over een versnelde aanleg van een nieuw spoorwegnetwerk. De laatste norry verdwijnt wellicht eind dit jaar. Het concept is eigenlijk enorm eenvoudig: een bamboeplatform van 2x1,5 meter –soms ietsjes groter- dat op twee wielassen rust (afkomstig van tanks) die los op de sporen liggen, wordt aangedreven door een kleine 16pk benzinemotor. De treintjes waren in de jaren ’80, op het einde van de burgeroorlog, dé oplossing als lokaal transport, om ondermeer groenten en fruit uit de dorpjes naar de markten te krijgen. Helaas, in de nostalgische zin, zijn de treintjes heden ten dage niet meer dan een publiekstrekker. Tenminste als je ze vindt. De wegen worden beter en dus is het overbodig om tegen 20 kilometer per uur over schots en scheve sporen te hobbelen. Vanaf het centrum van de stad, fietsten we langs het verlaten station en zijn overgroeide sporen en blijven het water volgen het vertrekpunt tegemoet. We moesten het enkele keren vragen, maar geraakten er dan toch dankzij de hulp van twee 10-jarigen die ons over enkele zandweggetjes escorteerden. Ook plezant om weten is dat het slechts een enkelspoor is voor twee richtingen. De flexibiliteit wordt bewezen door de treintjes in no-time te ontmantelen, het zwaarst beladen exemplaar voorrang te geven en de rit weer verder te zetten. Bij ons gebeurde dit twee maal gedurende het traject. Een geweldig plezante ervaring!


Ten noorden van de stad wandelden we door de poort naar de oude Pepsi-fabriek. In de zestiger jaren was dit het antwoord op de monopoliepositie van Coca Cola in Thailand om ook de buurlanden te kunnen bevoorraden. Tijdens het bewind van de Khmer Rouge werden de bottelactiviteiten aan banden gelegd en betekende dit het einde van de fabriek. We proberen een glimp op te vangen van de binnenkant en zien de houten kratten frisdrank die er sinds jaar en dag onaangeroerd opgestapeld staan. Een dikke laag stof als dekmantel. Doch helemaal verlaten is het gebouw niet, enkele gezinnen hebben het gekraakt. Naar ’t schijnt zou er wat verderop achterin ook een krokodillenkwekerij zijn, al hebben we na een tijdje onze zoektocht moeten staken door een gebrek aan bewijs…


Phnom Penh kwam op ons over als een andere wereld. De hoofdstad is aan een enorme opmars bezig en dat merk je. Drukte alom. Ook meer en meer expats vinden hun stek in de schaduw van het koninklijk paleis en de Zilveren Pagode, nabij de samenvloeiing van de Tonlé Sap en de Mekong.

Reden nummer één voor een tussenstop was om ons een beter idee te kunnen vormen van wat de Khmer Rouge, onder leiding van Saloth Sa (gekend als Pol Pot) in de jaren ’70 heeft kapot gemaakt, strevend naar een onafhankelijk communistisch Kampuchea.
The Killing Fields in Choeung Ek, op een 15 tal kilometer van de stad, is zo’n plaats die je met je neus op de feiten drukt. Tot nu toe zijn er plusminus 17000 schedels geteld, al vermoed men dat het aantal veel hoger zal liggen eenmaal het hele domein wordt blootgelegd. Het is één van de vele massagraven van het land… Tussen 1975 en 1979 werden gevangenen meermaals per maand vanaf de Tuol Sleng-gevangenis in vrachtwagens gedeporteerd om hier te worden afgemaakt. In de eerste plaats was het iedereen die zich tegen het regime keerde, iedereen die door de Khmer Rouge als potentieel gevaarlijk werd beschouwd. Het bleef er echter niet bij. Om kogels te sparen werden kinderen en ouderen tegen bomen geslingerd of door geweren dodelijk geraakt achteraan het hoofd. Het is de stilte die ons een smak in het gezicht geeft als we het bord zien staan naast een boom (zie ook foto in “Cambodja 2”).

“Magic tree… the tree was used as
a tool to hang a loudspeaker which
make sound louder to avoid the moan
of victims while they were being executed”

We zagen stukken stof en beenderen liggen die in de loop der jaren door de regen uit de ingezakte massagraven aan de oppervlakte komen. Opgestapelde schedels liggen torenhoog in de dertien jaar oude boeddhistische stupa, gerangschikt volgens geslacht…

Het bezoek aan Tuol Sleng was enerzijds een erg ontnuchterende ervaring, toch anderzijds bracht het verheldering en gaf ons meer inzichten omtrent de wreedheid van het regime. Tuol Sleng, ofwel het beruchte Security Prison 21 (S-21), was een door de Khmer Rouge opgeëist schoolgebouw dat getransformeerd werd in een gevangenis annex martelkamer. Het complex bestaat uit een aantal losstaande gebouwen van drie etages met prikkeldraad, die de gevangenen de mogelijkheid ontnam om zelfmoord te plegen. Binnenin hangen vele zwart-wit portretten van de slachtoffers die er gemiddeld twee maanden vastgehouden werden. Het zijn opnamen vlak voor of na foltering of zelfs na marteling met fatale afloop. Schilder Vann Nath, zelf een tijdlang vastgehouden door verzonnen aanklachten, portretteerde Pol Pot meermaals en zette ook de waanzin van Tuol Sleng op doek. De waanzin uit zijn herinneringen. Het zijn die schilderijen en de fysische overblijfselen die je als bezoeker een beeld geven van de gruweldaden die halverwege de seventies in Phnom Penh hebben plaats gevonden.
Wanneer we boven in één van de gebouwen een oude documentaire bekeken begon het in een paar seconden enorm hard te waaien en te regenen in combinatie met een stevig onweer. De houten luiken sloegen tegen de muur. Vlak voordat we binnen gingen scheen de zon en was het rond de 38graden (de warmte van een doordeweekse dag, zeg maar). Bij 't buiten komen was het hele gevangeniscomplex gehuld in 't grijs, het zag er somber uit. Het was even een vreemde gewaarwording vanachter de prikkeldraad in de gangen van "gebouw C"..


De hoofdstad lieten we achter ons en bereikten na enkele uren op de bus het gemoedelijke stadje Kampot. Sinds enkele weken zat er terug reliëf in het landschap. Groene heuvels komen achter de rijstvelden tevoorschijn en zo ver als je kan zien torenen de palmbomen (suikerpalm) uit boven het land. Kriskras en kaarsrecht. De laatste weken ondervinden we een nieuwe tendens: we blijven telkens enkele dagen op dezelfde plek. Mogelijk zoeken we op één of andere manier onbewust toch naar dat tikkeltje stabiliteit dat door lang reizen resoluut wordt weggenomen.

De dagen in Kampot hebben we onderbroken voor een trip naar Bokor Hill Station. ‘t Was zwaar de moeite! De klim naar de top legden we af door een mix van een tocht door het dichtbegroeide woud en een rit achterop een open vrachtwagen. Helemaal boven was het de dichte mist die het vergezicht elimineerde. De omgeving werd compleet verblind. We staan aan de rand van een diepe kloof en staren in het ijle; we kunnen nauwelijks enkele meters ver zien. Het einde van de wereld leek gewoon hier te zijn!
De Fransen bouwden tijdens hun bewind –reken ruwweg 100 jaar terug in de tijd – een nederzetting op Bokor Hill, het hoogste punt van het Bokor National Park. Onder meer werd er een katholiek kerkje opgetrokken, een postkantoor en een groot hotel, het Grand Palace Hotel-Casino, dat dateert uit 1925. Tegenwoordig verkeert alles in een staat van (zwaar) verval. Mistige dagen geven het een mysterieuze toets, zeker wanneer plots het oude hotel uit het niets opdoemt. De gebouwen verkennen –en eigenlijk de toegang tot het park en général - was enkel mogelijk doordat de lokale autoriteiten in een huisje aan ’t begin van ’t park onder tafel wat geld toegestopt kregen. We vermoeden dat dit ook geldt voor de gewapende ranger op sletsen, die de tijgers voor ons op een afstand hield (zullen we maar geloven…).


Behoorlijk triest is het feit dat Cambodja op grote schaal verbouwd wordt. Russen en Chinezen investeren massaal in megalomane projecten waar luxehotels centraal staan. Voor de nouveaux riches uit Phnom Penh en anderen met een barstende beurs. Door het gebrek aan milieuactivisten en algemeen protest tegen de plannen voor het Bokor Nationale Park, zal binnen dit en enkele jaren in totaal een goeie 140km² natuur (van de 1500 ofzo) worden afgegeven aan het megaproject van Sok Kong (bron: Lonely Planet, ook is het bevestigd door de gids waarmee we in het park konden). Kong, de grote man achter de Sokimex-tankstations, heeft een leasecontract afgesloten met de overheid. Goed voor 99 jaar!! Onder meer worden verschillende van de oude gebouwen van Bokor Hill Station afgebroken, alleen het Grand Palace Hotel zou gerenoveerd worden (wanneer wij er waren lagen de stellingen voor de deur). Onderweg naar de top, op een splinternieuwe, brede asfaltweg naar 1080 meter, zagen we vanop de vrachtwagen de tentenkampen van de wegenwerkers staan. Ook het oude kerkje was bewoond. Voor de locals schept het perspectieven in die zin dat er voor velen tijdelijk rijst op de plank komt. Maar of het allemaal een goede zaak is voor het nationale park is maar de vraag. Helemaal boven kan het overigens behoorlijk fris zijn. Wij vragen ons ook af wat überhaupt het nut is van rijke Cambodjanen en buitenlandse uit-op-luxe-toeristen naar een gebied te krijgen waar mist en regen de dagelijkse norm is…

Tijdens onze reis verder zuidwaarts, ontdekten we dat men nog veel meer van plan is of recent gerealiseerd heeft. Er liggen plannen op tafel voor de constructie van nieuwe hotels en golfterreinen aan de kust en op verschillende van de kleine eilandjes nabij Sihanoukville. Bij één ervan wordt as we speak een brug gebouwd (bijna klaar), zodat binnenkort een verbinding met het vasteland werkelijkheid is. Eén hotel springt er tussenuit: het Sokha-hotel, goed voor vijf sterren, waarvoor een budget van 1 miljard USD uitgetrokken is (!). Stranden worden hoe langer hoe meer privaat domein. Een blitse brochure informeert lezers over de geplande uitbreiding van de haven. De staat schijnt alleen geïnteresseerd te zijn in de financiële kant van de zaak.
Dit soort projecten bewijst gewoon dat je van een overheid immers alle licenties kan bekomen als er maar geld op tafel komt. Véél geld. Het maakt ons kwaad, al begrijpen we half waarom dit kan in een land als Cambodja…

Zoals gezegd zijn we in Sihanoukville. Eindelijk zien en voelen we terug de oceaan sinds maanden. We vreesden eerlijk gezegd het ergste, in het bijzonder omdat dit kustplaatsje op de vierde plaats komt in de toeristische top tien. Het moet gezegd, het is hier heerlijk, ondanks de ontelbare aanbiedingen van ‘manicure op locatie’, armbandverkopertjes, vers fruit en gekookte krabben als tussendoortje, wiet en transport (u raadt het al, per tuk tuk!). Het zeewater is alleszins genieten! Na een dag of vier aan eenzelfde strand verhuizen we een kleine 10 kilometer, komen ongewild terecht in een Spartaans kamertje in de rosse buurt (overigens initiatief “van het westen”) en gaan na een fantastische dag op een boot terug naar ons oorspronkelijk hotel. Terug naar start, zeg maar. We genieten nog na van de eilanden met hun inheemse flora en paradijselijke witte zandstranden…
De mensen zijn enorm vriendelijk, het eten (en de mango shakes!) is heerlijk, het bier kost tijdens de happy hours amper 50 (dollar-) cent, de pooltafels meteen aan het strand zijn niet te tellen. De bedden zijn zacht en de temperatuur van het zeewater ligt tegen de 30 graden Celsius. Wat wil een mens nog meer? Floating on the waves of freedom…

donderdag 30 juni 2011

24 Goodmorning Cambodia!

Sabaidiee/Soeë-sèdeeï, gegroet beste lezer!


Afgelopen week, op dag nummer vijfentwintig van juni, hebben onze paspoorten er weer een paar stempels bij gekregen. We zijn in Cambodja, na een memorabele rit! Vanaf de Four Thousand Islands bracht een houten bootje ons naar het vasteland, vanwaar we na anderhalf uur het dorpsleven geobserveerd te hebben voor het eerst aan boord gingen van een zogenaamde V.I.P.-bus. Wat een luxe! Tussen de bagage lagen ook meer dan twintig zware zakken groenten en enkele brommers, geadresseerd aan één van de dorpjes in de provincie Stung Treng, noord-Cambodia.

Aangekomen bij de grens was de vraag “hoe geraakt die grote bus hier weg?” stukken interessanter dan de formaliteiten. We verklaren ons nader: sinds jaren – zo verraadt het hoge gras- staan er aan de Cambodjaanse kant een aantal fonkelnieuwe gebouwen, die op termijn de overdekte containers zullen vervangen. Tot op heden dus nog niet in gebruik genomen. Laos wil niet achterop blijven en sprong een tijdje geleden mee op de bouwkar, wat resulteert in een flinke werf. De grens oversteken kan enkel via modderige grindpaadjes die om de werf heen gaan. Op zich geen probleem, ware het niet dat er vlak voor ons een bus tot aan het chassis in de modder steekt. Met man & macht (inclusief vrachtwagen) probeert men de bus uit het slijk te halen, maar tevergeefs, zo lijkt. Laurie en ik waren de enige passagiers die nog op de bus zaten en aanschouwden de helse manoeuvres van onze uiterst ervaren chauffeur. Zo snel als hij kon stuurde de man de bus door het slijk. Door de voorruit zien we mannen roepen en met hun armen zwieren. We made it!
"Respect" zei ik (J), met de vuist nabij het hart, tot groot jolijt van de chauffeur die met een toonbare glimlach stevig uitademt en opgelucht is dat de rit kan worden verder gezet. De weg door de groene lowlands van Cambodja ging vanaf daar probleemloos verder tot aan onze eerste stop, na een paar uur: Kratie, een stadje aan de oevers van de ‘almachtige’ Mekong.

Laos was een genot om door te reizen (los afgezien van de lange, oncomfortabele ritten in lokale bussen en andere vervoersmiddelen met hun onregelmatig vertrekschema, maar goed, zoiets weet je als je naar hier komt). Heerlijk lieve en goedlachse mensen, eenvoudig, niet zo pittig eten (als in Thailand) en best mooie landschappen; zeker in het noorden en centrale deel van de zogenaamde ‘boom van Azië’. Tot de hoogtepunten blijven we de kleine dorpjes rekenen, waar kinderen en volwassenen baden in een kuip of in de rivier, waar boeren met behulp van waterbuffels de rijstterrassen bewerken, dieren op en langs de wegen zitten en het leven zijn rustige gangetje gaat. Dan ervaar je pas echt hoe groot het contrast is tussen ‘onze’ werelden. En toch blijft de tijd hier niet stilstaan, zo bewijst onder meer de immense hoeveelheid zendmasten die de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond zijn gerezen en de fonkelnieuwe Toyota pick-ups die door de straten rijden.

Via het obligatoire bezoek aan de hoofdstad Vientiane, besluiten we terug naar de natuur te gaan. Een tocht door de grotten van Konglor werd weer een nieuw hoogtepunt. Ja, het was de urenlange rit, essentieel om er te geraken, meer dan waard. Chef mechaniek besluit de hemelsluizen wagenwijd open te zetten wanneer we aankomen in het dorpje Ban Kong Lo, zodat we zeiknat onze intrek nemen in de Eco Lodge. Die avond deden we niet veel meer dan wachten tot het ochtend werd…
Maar dan, de tocht zelf: wanneer we door het bos bij de bootsmannen aankomen, horen we dat er nog iemand interesse heeft om een boot te delen. Ik (J) loop de uit rotsen uitgekapte trappen naar beneden tot aan het begin van de grot en maak kennis met een Canadees. Ideaal! Gedrieën stapten we in het bootje (verwant met de kano-achtigen). Het water slingert zich een weg van zeven kilometer door de grotten,soms tot 100 meter breed, langs stalagmieten, langs hoge zuilen. Meestal is het zo goed als pikzwart. Aan de andere kant van de grot houden we halt in een dorpje (nuja, enkele hutten), die dezer dagen nog altijd alleen via de grotten te bereiken zijn (!).
Eenmaal terug in Ban Kong Lo kwam ons het nieuws ter ore dat er die dag nog één vertrek gepland stond. Op de ene voorwaarde dat er genoeg mensen gevonden werden voor de rit. Dit gebeurde gelukkig. In allerijl pakten we de rugzakken in en verorberden nog een flinke portie rijst zodat we klaar waren om uren op de baan te zijn. De jonge bestuurder van de songthaew vertrok een uur later dan voorzien en reed zo traag als hij kon (lees: 20 km/u ofzo). Althans, zo leek het. De wazige blik in zijn ogen ontkende nuchterheid. Als passagiers maakten we mekaar wijs dat het “pure concentratie” was en hoopten op een ongevalvrije tocht door de heuvels, terug naar de splitsing.
De man besloot halverwege het beloofde traject het voor gezien te houden en dropte ons aan de lokale bus die zich net aan de kant van de weg parkeerde om een stuk of vijf scooters op het dak te laden. Het werd donker...

Dagen verstreken en zo kwam ook het einde van onze reis door Laos stilaan in het vizier. In Pakse, de grootste stad van de zuidelijkste provincie van het land, vestigden we ons voor enkele dagen. Van daar uit maakten we onder meer een 2daagse trip met een semi-manueel 110cc brommertje over en langs het Bolaven Plateau. Vooral doordat het Plateau grote bekendheid heeft verworven omwille van de vele koffie- en theeplantages, leek het ons niet meer dan normaal ook eens de lokale roast te degusteren. Een Nederlander met een boontje voor koffie, die al enkele jaren in Paksong woont, liet ons proeven van een kopje Luwak, één van de duurste soorten op aarde. Een specialleke! Onder baristas is deze ‘soort’ welgekend, maar de kans is groot dat een doorsnee liefhebber van een bakkie troost, als wij, er nog nooit van had gehoord. Wat de koffie zo bijzonder maakt is enerzijds de schaarste en anderzijds het arbeidsintensieve proces dat aan de eigenlijke zjat vooraf gaat. De bessen (bv. van Arabica of Robusta-planten) worden door een civet (wezelachtige) opgegeten, maar doordat de maag van het diertje de bonen waar een vliesje ronde zit zelf niet kan verteren, eindigen de bonen op de grond. En dat ziet er ongeveer zo uit


Een espresso-zjatteke kostte ons 25,000 kip (iets meer dan 2euro, wat hier best duur is), terwijl een tas in een prijzig restaurant in Europa al gauw 50euro kan kosten! Waanzin toch?
Na de koffiestop reden we verder. Het was grijs buiten en een regenjas bijhebben was geen overbodige luxe. Die nacht sliepen we in het dorpje Tad Lo, bekend voor zijn watervallen.

Vanuit Pakse bezochten we ook de tempelsite Wat Phu, nabij Champasak. Een brommertje huren was weer ideaal! Eenmaal we de Mekong overgestoken waren [in Pakse enorm breed! De foto’s op de blog van dezelfde rivier in het noorden van ‘t land zijn allesbehalve indrukwekkend. Met een beetje verbeelding zou het de Kleine Nete kunnen zijn!], sloegen we linksaf op een spiksplinternieuwe asfaltweg. Op het eerste zicht was het ietwat surrealistisch: een haast verlaten baan, langs verschillende kanten omringd door begroeide rotsen, met enkele watervallen, waarvan de toppen in de wolken zaten. Hier en daar waren er hutjes en honden, koeien & pluimvee sliep op en liep over straat. Boeren ploegen de geaggregeerde rijstvelden, met dichtbegroeide heuvels op de achtergrond. We probeerden ook verschillende onverharde weggeskes uit die er door de regen gevaarlijk glad bij lagen.
Hoogtepunten waren zowel de architectuur (Ankor-periode!) als prachtige panorama dat je hebt vanaf de Upper Level. Raar maar waar waren er tijdens ons bezoek maar een 15tal andere toeristen die voor Wat Phu kwamen. Dit zou je misschien niet direct verwachten van een tempelcomplex dat de ‘erfgoedbescherming’ geniet?! Het deed ons alleszins plezier dat men sinds enkele jaren terug actief met de wederopbouw bezig is. Gedetailleerde computersimulaties tonen de plannen voor de onderste van de gebouwen, terwijl foto’s de evolutie bewijzen van de afgelopen jaren. We zien ook de internationale ploeg aan het werk die met het ‘stenen puzzelwerk’ langzaamaan de oude glorie herstelt.

Eindigen doen we dit blogbericht in Si Phan Don in het absolute zuiden van Laos, beter gekend als de Four Thousand Islands. De Mekong is hier op ’n breedst, op sommige stukken mogelijk tot 14 kilometer, met daartussen massa’s verschillende eilanden (zeker buiten het regenseizoen). Enkel de grootste ervan zijn bewoond. We blijven enkele dagen op verschillende van de eilanden en verkennen het landschap, de restanten van de oude spoorlijn die de Fransen er ooit aanlegden en de brede cascades per fiets. Zon, regen en onweer wisselen mekaar af.
Laurie's aantrekkingskracht op de buurtkatten is weer niet te stuiten (het kan ook omgekeerd zijn, enfin), zodanig dat er weer ettelijke poezen op haar schoot belanden. Weemoedig halen we herinneringen op van ‘de Zappa’, die nog niet zo heel lang geleden op 23jarige gestorven. Goeie herinneringen.

Als ultieme afsluiter nog een fijne anekdote over een “gekregen paard”: tijdens één van stops, die de lange busritten moeten breken, zien we dat een monnik naast ons benaderd wordt door een klein meisje. Ze houdt een zakje vast met twee gekoelde blikjes frisdrank. Vlak voor de monnik knielt het meisje, houdt haar handen op ooghoogte, zonder de man ook maar aan te kijken. Hoopvol overhandigt ze ‘het geschenk’. De monnik had dorst en aanvaard één van de blikjes. Een blik van ontgoocheling. Kort nadat het meisje weggegaan is, gaat de man met het blikje terug naar het drankstalletje -vanwaar het blikje uit de koelbox komt- en ruilt het droogweg voor iets anders. Een gekregen paard is in de bek gekeken en niet goed bevonden…


PS: bij het schrijven van dit bericht bevinden we ons in Siem Reap, op een steenworp van het achtste wereldwonder: de tempels van Ankor Wat.

zaterdag 11 juni 2011

23 Ieren op de Mekong

“Experience is not what happens to you; it's what you do with what happens to you” [Aldous Huxley]


Het heuvelige noorden van Thailand zien we voor het grootste deel vanuit de ramen van lokale bussen. De ene al wat jonger dan de andere, schommelend zo tussen middelbare leeftijd en hoogbejaard. Uren en uren hobbelend door dorpjes, over rivieren, langs groene velden en platgebrande stukken land. Bergen als muren van het decor. Onderweg stappen oude vrouwtjes op en af, soms met zakjes paddenstoelen in de hand. Ook jongeren die druk-in-de-weer de grenzen van hun brokjes technologie aftasten reizen stukken mee, net als enkele militairen en monniken. Sereen gekleed in okerkleurige gewaden. Hier en daar worden grote dozen of zakken afgeleverd.
Bij het naderen van een tempel maakt de buschauffeur claxonerend-gewijs de praktiserende Boeddhistische medemens, waaronder alle meereizende monniken, hierop attent. Op het bankje vlak voor ons vouwt een man beide handen samen en brengt deze tot aan zijn voorhoofd.

Aangekomen bij de grens, zet de tuktuk-bestuurder ons af aan de oevers van de Mekong, slagader van Azië. Ooit was deze rivier, met een (geschatte) lengte van om en bij de 4500 kilometer, een belangrijke handelsroute. Dezer dagen gaat het meeste transport van goederen over land –toch zeker voor de grensstreek Thailand-Laos-Cambodja, onder meer te danken aan een verbeterd wegennetwerk. Het zijn hoofdzakelijk inwoners van de kleine dorpjes aan de oevers die de Mekong nu nog gebruiken als ‘openbare weg’.
We wandelen het straatje naar beneden richting grenspost en stoppen voor een statig grijs gebouw. “Lijkt erop dat we hier moeten zijn om onze paspoorten af te stempelen”, zeiden we tegen mekaar, terwijl we onze rugzakken neer zwierden. Een gehurkte man wist het beter en wijst naar het kleine, blauwe gebouwtje ernaast. We worden Thailand ‘uitgestempeld’ en even later steken we in één van de smalle houten bootjes het water over. Niemandsland. We zetten voet op bodem van Lao People's Democratic Republic, ofwel Laos en een pijltje met daarop ‘check in’ wijst ons de weg naar het kantoortje waar we onze ‘visa on arrival’ aanvragen. Nadat we even later onze intrek hebben genomen in Friendship Guesthouse, ietwat verderop in de hoofdstraat van Huay Xai, gaan we opzoek naar de eerste portie Laotiaanse noedels & rijst…

Van hieruit kunnen we de volgende twee dagen stroomafwaarts mee met de slowboat naar Luang Prabang. “Mmmm, slowboat… genieten….” horen we u al denken, luidop dromend van de romantische kant van reizen.
Wel, de realiteit is een tikkeltje anders. De bende Ieren die op het laatste nippertje, amper een paar minuten voor vertrek, aan de boot arriveert draagt liters Beer Lao met zich mee. De bootsmannen duwen vanop het dak met lange bamboestokken het land van ons weg. We zijn vertrokken…
De komende uren werd er door de laatkomers duchtig gepokerd, gedronken, muziek gespeeld en, hoe meer de reis vorderde, onzin uitgekraamd, gezongen en werden er flessen omgestoten. Zo nu en dan legde de boot even aan in een dorpje om mensen of goederen af te zetten.
Verwelkomd door een prachtige dubbele regenboog, stopt de boot voor de nacht in Pakbeng. Laurie en ik negeren de kinderen en volwassenen die enthousiast, bordjes vasthoudend, vertellen over de troeven van de slaapplaats die ze in de aanbieding hebben. We stappen door en vinden kort nadien een mooie kamer met eigen badkamer voor 35,000 kip (zo’n 3euro). ’s Avonds komen we te weten dat er vijf jaar geleden in dit dorpje amper een paar slaapplaatsen waren voor mensen op doortocht. Nog steeds worden er bijgebouwd. Wat gaat dit binnen enkele jaren geven?

De volgende ochtend kabbelt de boot verder oostwaarts over de karamelkleurige Mekong. De boot zelf was kleiner en de stoelen harder. Met het gelijke aantal passagiers, belandde een deel ervan op de houten vloer. De Ieren waren maar stil. Een stevige kater misschien? Van de tweede dag op de slowboat genoten we met volle teugen. Heerlijk rustig was het. Uit de jungle tsjilpten krekels, we hoorden vogels. Op de oever grazen waterbuffels terwijl wat verderop vissers hun netten spannen. Kinderen spelen in de rivier. We spotten zelfs een olifant aan de waterkant.


Sinds de stad halverwege de jaren ’90 op de UNESCO-werelderfgoedlijst staat, rijdt er geen zwaar verkeer door de binnenstad. Dit is onmiddellijk iets dat opvalt. Luang Prabang schommelt tussen een groot uitgevallen dorp en waardige stad. Door de ligging direct aan de Mekong en de grote toets groen, heeft het iets van beide. Het voelt toch zo aan zeker als je enkel in het oude stadsdeel blijft. Eenmaal boven op Mt. Phou Si, wordt de omvang pas helemaal duidelijk. Gebouwen bestaan grotendeels uit hout. Sommigen zijn prachtig afgewerkt en zouden niet uit de toon vallen als chambre d’hôte in een dorpje in zuid-Frankrijk.

Eén van de mooiste dingen die we gezien hebben tijdens de dagen in Luang Prabang was de Tak Bat. Monniken maken elke ochtend vanaf hun tempels op blote voeten een ronde door de stad waarbij mensen geknield ondermeer een handvol kleverige rijst in hun bedelnap leggen (zie foto’s voor impressies). Het is een stille meditatieve ceremonie waarbij de monniken uiting geven aan hun gelofte van armoede & nederigheid. Het geven van aalmoezen bestaat al sinds mensenheugenis en het was dan ook meer dan de moeite om hiervoor om 5uur op te staan! (ja, heel af en toe lukt ook ons dit :) ). Aansluitend snuisterden we op de ochtendmarkt en ontdekken waaruit het dieet van een Laotiaan zoal bestaat: kikkers & hagedissen [schaalmodellen van de exemplaren op het eiland Komodo], jonge meervallen (catfish), een versgevangen spartelende rog, groenten & fruit in alle kleuren, ontelbare rijst- en noedelvarianten, kleurrijke specerijen, soepen en zoveel meer.
En ja, tot onze grote vreugde –en met dank aan de Fransen- kan je op bijna elke straathoek baguettes (met La Vache Qui Rit!) en croissants kopen. Niet zo knapperig vers als ze zouden moeten zijn, maar na al die maanden zonder hoort ge ons niet klagen!

“Thanks to the French for leaving coffee and bread behind in Laos and Vietnam. It's a bit of a shame they never colonized Thailand as well” [bron: LP’s Thorn Tree-forum]


Net buiten de stad, na een halfuur van het betere offroad-werk, bereikten we Elephant Village, in het dorpje Ban Xieng Lom. Ooit heette Laos “The Land of a Million Elephants” (Lane Xang), maar tegenwoordig blijven er volgens een ruwe schatting nog maar een 1600tal dieren over, waarvan er nog steeds een goeie 500 bij de houtkap wordt ingezet. Alternatief voor de traktor anno 2011. Met het project, koopt Elephant Village olifanten op van de lokale boeren om ze een betere thuis te geven. In een prachtige junglesetting kunnen toeristen een ritje maken op de rug van de olifant, zodat de olifanten als het ware hun eigen boterham verdienen. Wanneer hun dagtaak erop zit brengen de mahouts (trainer van de olifant) hen naar hun plekje in de jungle waar ze dan in alle rust en vrijheid de rest van de dag en nacht doorbrengen. Ook kan je een volledig dag doorbrengen in Elephant Village en mag je ’s namiddags de olifanten baden in de rivier voor ze naar hun slaapplaats keren.
Wij waren eerst zeer sceptisch over dit project en dachten dit het zoveelste olifantenpark was waar je een ritje kan maken in een stoeltje op de rug van de olifant, maar niets is minder waar. We leerden ook de basic commando’s die de mahouts gebruiken om de olifant te ‘besturen’, en mochten dit zelf in de praktijk omzetten. Het was echt een fantastische ervaring waarbij we ook letterlijk in de nek van de olifant zaten en met eigen ogen konden zien wat een mooi project dit is, met niet alleen oog voor het welzijn van de olifanten, maar waar ook de lokale bevolking nauw bij betrokken wordt. Meer info vind je hier


Luang Prabang verlieten we met een lichte tristesse. Met pijn in het hart, maar we moesten voort. Voor de rit die zou komen, opteerden we voor een minibusje. Een overtuigend element was drie uur minder lang onderweg zijn voor dezelfde prijs als een ‘echte’ bus. We dachten dat minibusjes ook een kleiner potentieel hebben dat er iets fout kan lopen.

“The buses of Laos probably won’t be what you’re used to, so what should you expect? It will almost certainly take longer than the advertised time. The ride itself depends on how lucky you are on the given day” (Lonely Planet’s Guide to Laos, 2010)

‘Lucky’ waren we alleszins, want een tweetal uur (en 1 stop) nadat het volle busje de stad heeft verlaten, horen we een verdacht geluid. De chauffeur zet zich aan de kant en opent de motorkap. De motor is oververhit en het water stoomt. “10 minutes” zegt hij, en zet het op een lopen met twee lege flessen naar wat we hopen een dorpje vlakbij is. Wij denken nog “oh, als het dat maar is…” .
4 stops en ettelijke liters water later geeft onze chauffeur het op en maakt duidelijk dat zijn minibusje niet naar Vang Vieng zal rijden. “Sorry my friend, bus 1 hour” zegt hij, waarop wij allemaal een diepe zucht slagen. Nog een uur wachten in de blakke zon… Ons chauffeurtje anticipeert meteen op ons gekreun en houdt het eerste het beste voertuig tegen, in dit geval een kleine pickup. Na even onderhandelen (vermoedelijk over betaling) mogen we allemaal (8 pers.) in de laadbak.

Het grote discomfort van de zachte zwartlederen zetels en airco (zeker in warme landen) ruilen we in voor een uiterst aangename, doch spartaanse rit tussen onze grote rugzakken, zware dozen & kilo's ananassen (onderweg nog meegeholpen een deel van de vracht uit te laden). Zeker wanneer we door de laaghangende regenwolken zo rond 30km/u verder hobbelden, was het helemaal feest. De allerlaatste etappe overbrugden we met een săwngthăew, een overdekte pickup met twee over elkaar staande banken. Wat een rit! Qua landschappen absoluut magnifiek! De mist en regen voegde er nog iets extra aan toe, noem het gerust ‘mystiek’. En ook de vele vreemde blikken die locals onzer richting werpen zijn werkelijk goud waard! Voor de twee meereizende Maleisische vrienden leek het in ieder geval het avontuur van hun leven te zijn. Eind goed, al goed. Met een lichte vertraging (3uurtjes) komen we aan in Vang Vieng...


PS: beste lezer, door een aanhoudende writersblock zou dit bericht nooit tot stand zijn gekomen zonder de hulp van Laurie. Dikke merci via deze weg :)

Ook onze 'kodak' is, zoals altijd eigenlijk, de laatste weken weer flink benut. Ziehier het resultaat

zondag 29 mei 2011

22 Continuïteit onderweg

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
edit: nieuwe foto's toegevoegd tot het album "Ayuthhaya/Sukhothai/Chiang Mai" [1 juni]
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Het is intussen weer een week of twee geleden dat we nog iets van ons hebben laten horen, beste lezer, de tijd dringt dus weer voor een stukje over onze belevingen on the road. Uit het reizigersleven gegrepen:


De eerste stappen op het Aziatische vasteland leidde er meteen toe dat we baadden in het zweet. Geen druppels, maar heuse stromen van zout. Het is er loeiheet en alles voelt enorm klammig. Zelfs in vergelijking met het klimaat op de Indonesische eilanden zal het aanpassen worden…
Kuala Lumpur werd weer een keerpunt waar we onze reisplannen een flinke draai gaven. Verdeeld over de dagen wikken en wegen we de opties, véél opties en praten urenlang over de kern van fietsreizen. Ondanks we elk zo onze argumenten hebben, worden zowat alle mogelijke pro’s & contra’s die onlosmakelijk vasthangen aan het fietsen één voor één zorgvuldig geëvalueerd, tot blijdschap en ergernis. We nemen een besluit (hierover direct meer)...

Inchecken voor de vlucht naar Bangkok was weer een fluitje van een cent. Met de fietsen en alle tassen kwamen we aan een 12-tal kilo overgewicht. Met lood als handbagage. Druk bezig met de mogelijkheden te overlopen hoe we de Thaise autoriteiten kunnen doen inzien dat we bijlange niet van plan zijn te immigreren met een toeristenvisum, vergat de ‘incheckdame’ de hoeveelheid dollars te noemen die we de firma nog verschuldigd waren (de tweede keer op rij dat we dit geluk hebben). Eén van de suggesties was een bezoekje brengen aan de dames van de ticketafdeling van de luchtvaartmaatschappij. Dat klanten er ook voor een “dummybooking” komen, lijkt er de normaalste zaak van de wereld te zijn. En zo zijn we een kwartiertje later eigenaars van twee stukjes papier, noodzakelijk om de incheckprocedure te voltooien. Fijne manier van werken daar bij Malaysia Airlines!

Ook vanaf we voet gezet hebben buiten het luchthavengebouw, hield de Thaise hitte ons in een wurggreep. We hebben een serieuze steek laten vallen in de voorbereidingen door ervan uit te gaan dat wanneer we eenmaal de Indonesische moesson voorbij waren (althans voor het deel dat we bezochten), de rest wel zal volgen. Een cruciale fout.
De eerste de beste taxichauffeur die ruimte had voor twee ingepakte stalen rossen, zette ons af aan Khao San Road, Bangkok’s primaire onderkomen voor backpackers en nachtraven ‘die goed gaan’ op het eten van thuis en de laatste toppers uit één-dag-hit-wonderland. Hoewel Lonely Planet haast lyrisch de slaapplaatsen omschrijft, was het toevallig net niet de straat waar we naartoe wilden (we hebben het later één nacht een kans gegeven en kregen er dik spijt van!). Toch was het daar waar het oude taxichauffeurtje ons dropte, geheel tegen onze vraag in. We zouden “vlakbij” ons adres zijn, zo verzekerde de brave man ons, een fooi ontvangend. Hij wist het van in het begin niet en speelde maar op veilig door ons af te zetten waar iedereen doorgaans wordt afgezet. Helaas was het in werkelijkheid een stuk verder zodat we in den donkere op ’t voetpad nog aan de montage van onze fietsen mochten beginnen. Na een uurtje zoeken, en geregeld vragen, geraakten we eindelijk op de bestemming, waar recht voor de deur een taxi stopt…

Na een paar dagen “ontdekten” we toevallig Bamboo Guesthouse, als vierde adresje, in een rustige wijk net buiten de toeristische omwalling (als het ware). Heer des huizes is een kranige 80’er die meteen de regels voor gasten introduceert op een manier dat een gewaarschuwd man er meteen twee waard is. In ieder geval belandden we in een redelijk ruime, lichtjes Spartaanse kamer met muren uit dun hout. In de gangen staan antieke decoratiestukken met aan de wanden ingelijste sepia-foto’s van de koning en een afbeelding met ‘walking on your toes is good for a long life’ eronder. Mede dankzij de regels bleef het toch rustig in huis…

We verschoten van hoe modern Bangkok is, als eerste indruk. Er zijn wel groezelige kanten, maar niet over ’t algemeen. Wat meteen opviel was hoe afgewerkt de tempels zijn, met oog voor detail. Gouden daken schitteren in het zonlicht. Wat een contrast met Indonesië!
Fietsend verkennen we de stad, nemen de skytrain naar de gigantische Chatuchak-weekendmarkt of springen aan boord van één van de lange, smalle kanaalboten, die bij iedere halte pendelaars zo’n 10 seconden de tijd geven op of af te stappen. Vanaf dan sjezen ze razendsnel door de grachten. De geur van het zwaar vervuilde water is niet te harden, toch is het bootnetwerk uiterst efficiënt. Naast het grauwe grachtenwater, waarin enkele kinderen vrolijk plonzend de dag doorkomen, nemen we nog een aantal andere geuren in ons op: de donkere wolken van wierook & uitlaatgassen, gegrilde sate’s vanaf de eetstalletjes op de trottoirs, urine van mens en dier en het ergst van al, de misselijkmakende durian-vruchten. Een killer! IJskraammelodietjes spelen in de kleine achterstraatjes, tuktuks en oude Hino-bussen trekken op. Hier en daar rochelt er iemand zich suf. The sound of the city.

Iedere keer we ons ook maar in de buurt van Thanon Khao San begaven, vlogen de aanbiedingen ons om de oren. Er was haast geen ontkomen aan. Vijfentwintig keer "Suit, sir?” no thank you, I never wear suits. Veertig keer “Tuktuk?" No, we’re just having a look around. Een keer of zeventien "Massaas (massage), misses?" Not now, maybe later. "Wanna look in my sop (shop, zo’n tien keer)?" ‘No, thank you’ verandert stilaan in ontkennend geknik in combinatie met een fijne glimlach. “Cheap beer, cheap pussy, Okay, yes?" "Pingpong-show, yes?". De glimlach verdwijnt… "Tuktuk, 10 Baht?" "Okay okay, five baht!" (nog altijd zwaar afgeript dan, wetende dat dit een rondleiding inhoudt langs verschillende "sops" waar de chauffeurs een commissie voor krijgen)… En zo krijgt de straat algauw de fijne benaming Khao fuckin’ San. Afgunst troef…

Zoals we eerder al hebben aangehaald, heeft de reis weer een flinke wending gekregen. We besluiten opzoek te gaan naar een goede keuze uit het ruime assortiment Thaise, Chinese en Vietnamese kopieën van Lowe Alpine & Deuter-trekkingrugzakken. Over het verschil in kwaliteit wordt langs verkoperskant met geen woord gerept, maar dat de Thaise versies beter zijn, dat stond vast. [we hebben kunnen arrangeren dat onze fietsen & toebehoren voor onbepaalde duur kunnen blijven staan in de guesthouse]


Vanaf nu gaan we, "Charley Boorman-gewijs", verder by any means. Als we tellen vanaf Bangkok tot in Chiang Mai, komen al op 10 verschillende transportmiddelen: boot op de Mae Nam Chao Phraya- rivier, lokale dieseltrein (3e klasse), 4x een veerpontje, 2x op single-speed fietsen, 'special express'-trein (2e klasse), 2x sŏrng-tăa-ou (bus en pickup met twee banken achterin), săhm-lór (vergelijkbaar met de tuktuks, maar dan net iets 'spacier'), 2 tamelijk comfortabele aircobussen (1 zelfs met vanachter een knusse zithoek) en een van banken voorziene brommer (zou ook tot de ‘tuktuk-familie’ behoren naar verluid).

Onder de culinaire hoogstandjes mogen we de ontelbare varianten curry’s rekenen [“little spicy, please” resulteert in Fire Ina Babylon]. Ook de zeewierbouillon mag niet ontbreken, met stukjes vlees & lichte gelei-achtige brokken, waarvan we eerst dachten dat het ook een obscuur, iets minder appetijtelijk onderdeel van 't varken zou zijn. Gelukkig was het maar goeddoorweekte tofoe.


Via de prachtige en imposante tempelsites van Ayutthaya & Sukhothai -UNESCO-werelderfgoed- reisden we naar Chiang Mai, niet zo erg ver van de grens met Myanmar. Van hieruit zullen we via wat omwegen stilaan Laos tegemoet gaan. Met de haren terug kort (J). De Mekong wacht.

Eén ding ligt ons nog op ’t hart: uit Indonesië hebben we, op topeng & batikdoeken na, ook argwaan mee als souvenir. We vertrouwen niemand meer die ons aanspreekt omdat er sowieso iets achterzit. We hopen dat de openheid en spontaniteit van in Nieuw Zeeland snel wederkeert.
Als voorbeeld: aangekomen in een busterminus worden we onmiddellijk omringd door een horde op commissie azende lui die allerhande kaartjes van guesthouses aanreiken, vragen wat onze plannen zijn, transport aanbieden naar het centrum etc. "Laat ons doen, laat ons gewoon gerust!", is een eerste reflex. Gelukkig grotendeels in gedachten. De schaal van de kaart die we hebben blijkt grandioos verkeerd te zijn, iets meer dan 500 meter blijkt ineens 4km te zijn. We twijfelen. Aan hetgeen mensen rond ons zeggen omdat we vermoeden dat het enkel om hun voordeel draait. Mensen negeren. Weggaan. Beginnen te wandelen en beseffen dat de afstanden een stuk groter zijn dan gedacht en alsnog transport moeten tegenhouden (waarschijnlijk iemand die ook bij die bushalte rondliep) en naar de prijs vragen. Zo hard beschaamd zijn. Even later valt het voertuig stil, zodat de schaamte even van ziel wisselt. We blijven staan aan de kant van een druk vierbaansvak terwijl de chauffeur van de brommertaxi in de verte helse toeren uithaalt om, zijn broodwinning voortduwend, de banen over te steken tot bij een tankstation. Doordat de man de hele situatie probeerde weg te lachen, vertrouwden we het niet, ons gevoel zegt dat we de rugzakken bij ons moeten houden... voor niks zo blijkt. Bange blanke man. Willem Vermandere slaat de nagel op de kop.

zaterdag 14 mei 2011

21 De oversteek van de evenaar...

Yogyakarta, oftewel kortweg Yogya [Djogdja], was een uiterst aangename verrassing en deed ons blijven. Uiteindelijk langer dan een week. Dit is zowat de eerste stad waar zoveel te beleven is, dat we er graag onze tijd voor namen. We moeten beginnen bij het begin van iedere dag: de ochtend. We wandelen door ‘t tuintje van onze homestay, op een steenworp verwijderd van het Tugu-station, naar de Coffee Corner. Naast koffie (echte en geen Balinees of Lomboks gruismengsel) zijn het vooral de dubbel gelaagde banana chocolate pancakes die de show stelen. Voortreffelijk om hiermee daags eerste fond te leggen! Moest het bestaan, werd dit voor heel even ons ‘stamontbijtcafé’. Terugdenkend aan die goddelijke pannenkoekskes komt het water al weer in de mond!

Vanaf dan, vulde iedere dag zichzelf in, geleid door wensen of gewoon door het lot. We probeerden het brede spectrum van transportmogelijkheden uit, waar onder meer de becaks, taxi’s, lokale bussen en andongs (paard & kar) toe behoren. Zwaar onderhandelen én informeren naar de gangbare tarieven is een must, want waar toeristen zijn valt poen te pakken, zo redeneert een gemiddelde chauffeur (niet verkeerd gedacht want we zouden het ook doen in hun situatie).

Een mooi voorbeeld van een cultuurshock is de Gembira Loka Zoo. Een euro’tje inkom deed al iets vermoeden, maar eenmaal voet binnen te hebben gezet, geloofden we soms onze ogen niet. Kleinbehuizing (een nijlpaard kan amper in zijn modderpoeltje) en een gebrek aan water & voedsel is de norm. Heel wat zoogdieren waren uitgemergeld. Honingberen stonden op hun achterpoten, smekend om een lekkere hap (zie foto in de ‘Java’-map). Olifanten waren vastgeketend, wat resulteerde in onrustig gedrag. Voor 10,000rp (+-80cent) heb je een ritje op een licht-bejaard exemplaar. Iemand gaf hen een plastic zak als “snack”. Het reptielengedeelte, o.a. met het perk van de Komodo-varanen, was nieuw en zag er goed uit. Het geeft goede vooruitzichten voor de toekomst. In ’t algemeen is deze zoo dus niks voor Gaia-sympathisanten. Een beetje gênant waren de vele blikken van bezoekers naar ons gericht en niet naar de apenkooien waarin orang-oetangjongen uit verveling wat rondjes zwierden…


In een straatje, ietwat achterin, kwamen we bij een batikgalerij, op aanraden van leraar uit Surabaya. De ontmoeting, in de schaduw van het Kraton, leek oprecht. Zeker omdat hij naast een groep, wat wij dachten dat zijn studenten waren, stond. De man vertelde in prima-Engels over de logistieke kant van het hele schoolreisgebeuren en sprak even later voor ons een prijs af met de becak-bestuurder. Een mooie prijs, zo bleek. Twee dagen later zagen we die zelfde zogezegde leraar uit Surabaya weer rondlummelen bij het Kraton. Geen klasgroep bij hem deze keer, enkel wat oude mannen, nippend van hun glazen thee. We gingen recht op de man af en vroegen wat de hele leugen te betekenen had. Dit niet verwachtend, stamelde hij iets over “een vergissing”. Het was ‘em wel degelijk. Enfin, in ieder geval hebben we het batikproces eens van dichtbij kunnen bekijken. Het is een monnikenwerk om een doek af te werken!

’s Avonds hebben we bij enkele warungs een net geen "morgen garantie problemen"-ervaring opgedaan. Ondanks we iedere keer lekker gegeten hebben, was het soms wel kantje-boord. Zou ons spijsverteringsstelsel al iets meer aankunnen sinds vertrek?

Aanschuivend aan één van de loketten aan de hindoetempels van Prambanan, zagen we dat de inkom het veelvoud is voor niet-Indonesiers (onze fout, we hadden het van te voren moeten opzoeken). Even probeerden we nog iets uit onze duim te zuigen en overhandigden onze SIS-kaarten [“Student Identity System” klinkt toch goed?]. Geen succes, want de heren aan de kassa wilden bikkelharde bewijzen zien, dus bedankten we er 'vriendelijk' voor, dronken nog een koude Tehbottol op de hoek van 't straat en namen de lokale bus terug richting Jalan Malioboro. We vonden dat we een keuze moesten maken, of Prambanan of naar Borobudur (dit stond ’s anderendaags op ’t programma. Weer met lokale bussen, een uitstap op zich!).
Tussen het bezoeken van toeristische doelwitten door, speurden we winkeltjes af naar batik, houten topeng-maskers en, jawel, een broek. Aangezien ik (J) al haast een half jaar dezelfde korte broek aanhad, werd het wel eens tijd voor een beetje variatie in de garderobe : )


De dagen in Yogya vlogen best voorbij. We dachten na over een vervolg van de reis. Aanvankelijk stond Sumatra nog gepland, maar omdat het wat nipt ging worden met onze visa besloten we om een vlucht te zoeken en enkele dagen later door te vliegen naar Kuala Lumpur, Maleisië, waar we vijf dagen bleven plakken. We ontdekten de Central Market, proefden kleipotgerechten in Chinatown, namen de monorail naar de Petronas Torens en zwierven langs de koloniale gebouwen met de skyline op de achtergrond. Een boeiende stad, Kuala Lumpur, magneet voor mensen uit alle hoeken van de wereld.



dinsdag 3 mei 2011

20 Over fietsers, kermisaapjes & karaoke

---------------------------------------------------------------------------------
Edit: 8 nieuwe foto's toegevoegd tot het album "JAVA" [zondag 8 mei]
---------------------------------------------------------------------------------


Dagen worden weken en weken veranderen in maanden. Ons tijdsbesef slinkt met de dag. Smelten doet het als de laatste restjes sneeuw in de voorjaarszon. Sinds een tijdje hebben we de dagen langzaamaan leren ervaren als gelijken, een gevoelsmatig verschil is er niet meer. Het is het gevolg van de houvast, of structuur die verdwijnt, eenmaal on the road.

De afgelopen week bleven we de Nasional 3 volgen, van Padangbai in het zuid-oosten all the way tot de Java-ferryterminal in Gilimanuk. In het noorden zagen we dolfijnen bij zonsopgang, gingen een dag snorkelen boven het koraal van Menjangan Island (nationaal park) tussen Nemo’s en maanvissen en verkenden per brommer het bergachtige binnenland, met meren, ontelbare hectaren rijstterrassen, heetwaterbronnen en spectaculaire watervallen.
Als fietsers hebben we wat het wegdek betreft niet te klagen. Algemeen gezien liggen de (grotere) wegen er een pak beter bij, toch zeker in vergelijking met Bali’s rechterbuurman Lombok. Dat het geregeld vals plat is of een klimmetje hier en daar nemen we er graag bij. Wat ons ook opgevallen is is de meer relaxe houding van de lokale bevolking. Slechts een handvol begroetingen kruisen onze wegen. Het merendeel is afkomstig van jongeren die lui onderuit gezakt hun verveling ondergaande de dag plukken op de bamboeplatformen langs de weg. Enkele mensen die we onderweg ontmoetten zijn oprecht geïnteresseerd in onze reis. En onze toeters, tja die springen meteen in ’t oog. Het lijkt dat mensen twijfelen aan de werking ervan tot het tegendeel bewezen wordt, gevolgd door gegrinnik en/of herhaalde actie.



Na voet gezet te hebben op Javaanse bodem in Ketapang, begaven we ons meteen te midden de verkeersdrukte, Banyuwangi tegemoet. Daar aangekomen leggen we bij plaatselijke riksjabestuurders (becaks) ons oor te luister en krijgen een wegbeschrijving naar het station. Enkele kilometers en nog eens drie keer vragen later kwamen we holder-de-bolder over een krakkemikkelig weggetje bij een station. Aha, daarvoor dus rijden we met Marathon Extreme-banden! Het station zelf had dat van Boechout kunnen zijn, met als enige verschil dat er nog minder treinen passeren. Net als we even later, infoloos, wilden afdruipen begroette een medewerker van de spoorwegen ons in het Engels en vroeg of hij kon helpen. Op zijn kraaknette kostuum stond de naam Arif Luksman. Bij twee grote glazen ijsthee leggen we onze plannen voor en beantwoordden zijn interesse in de financiële kant van het leven in België. Zijn vragen naar het gemiddelde loon, ons loon, kostprijs van de fietsen, prijs van fietsvervoer op ’t vliegtuig, gemiddelde huurprijs en de gemiddelde prijs van een treinticket kregen een antwoord. We plakten er wat cijfers op. Hij glunderde en vertaalde de ingewonnen informatie naar enkelen van zijn collega’s [over de prijs van onze fietsen verzonnen we een leugen om bestwil, een kwestie van niet te hard te choqueren].

Hij stelde voor om de nacht bij hem en zijn familie door te brengen, zo’n zeven kilometer verderop.
Met gezonde argwaan twijfelden we even aan zijn geste. Toch intuïtief wisten we allebei dat het goed zat en waren maar al te blij met het aanbod. We mochten hem volgen naar zijn huisje, net naast de spoorweg. De buurtkinderen spelen er in grauw water. Later doet een oude vrouw haar gevoeg in dat zelfde water en de volgende dag zagen we hoe kleren ‘gewassen’ werden en ook potten & pannen daarin een beurt kregen…
Eén van de eerste dingen die de gastheer ons toevertrouwde waren zijn drie grote liefdes: als moslim die voor de Koran, voor pilsbier & sigaretten en de liefde voor zijn tweede vrouw. Ze werkt ook in het station (diegene die ons de ijsthee maakte & bracht, zo vernamen we later). Alleen weet de vrouw waar hij het bed mee deelt, de moeder van zijn kinderen, niet dat hij ook een tweede eega heeft en er zelfs ook mee getrouwd is. Dit komen we te weten in haar bijzijn. De man is er van overtuigd dat ze geen Engels verstaat…
’s Avonds drinken we thee in zijn lesehan. Samen met Arif’s vrienden zitten we in kleermakerszit op rieten matten op een klein verhoogje, vlak naast de baan. Afsluiter van de dag is een bezoek aan een karaokebar. We waren moe van de laatste fietsdag op Bali, de overtocht en eerste kennismaking met het doen en laten van weggebruikers van oost-Java. Dit aanbod weigeren was compleet uit den boze! Het bleek dat type keet te zijn dat perfect lijkt als decor voor ‘afrekeningen in het milieu’ (kunt U zich er iets bij voorstellen, beste lezer?). Flessen bier worden aangerukt en gekraakt in de zetels vanop de eerste verdieping. In het halfdonker schudden we handen, van wie weet wie en luisteren naar het hoge aantal decibels die uit de speakers knalt. Starend naar het projectiescherm horen we beneden iemand een poging doen de originele versie van het (flauwe) popnummer dat speelt te evenaren.

Bij het krieken van de dag begeven we ons met onze fietsen naar het station, niet ver van het huis van Arif. Als het papierwerk in orde is voor onze bagasi en de bewijzen hiervan op de spatborden werden gelijmd, stappen we op voor een 8uur durende treinreis naar Surabaya…

Met z’n 2.6 miljoen inwoners is Surabaya best een metropool te noemen. Hoogbouw, ontelbaar veel scooters en becaks (riksja’s)… Hou dit beeld vast en voeg hier nog verkrotting, vuiligheid, smog en armoede aan toe en uw verbeelding zal niet ver naast de werkelijkheid zitten. Toch zagen we ook dat de stad een aantal megalomane winkelcentra bezit. Compleet steriel en identiek aan de onze. Binnenin schitteren de Macbooks, Breitling-horloges en peperdure lederen schoenen. De vraag naar luxe blijkt groter te zijn dan gedacht. Het contrast kan haast niet groter zijn…
Bij aankomst in het “centraal” station worden we bekeken alsof we zojuist met fiets en al uit de lucht zijn gevallen. Mensen nemen foto’s. Ze staren. Of wijzen. Komen rond ons staan. Jochies tasten onze grenzen af. Wij voelen ons als kermisaapjes die kunstjes kunnen. Treinen rijden af en aan en blokkeren de doorgang net zo goed als de sluis dit doet van Sas 7. Een halfuur later waren we eindelijk alle sporen overgestoken, eenmaal zelfs met de bepakte fietsen door een stilstaande trein.
Het was donker. Op goed geluk stapten we op de fiets, reden de brug over, opzoek naar een onderkomen voor de nacht. Net op tijd waren we binnen, voor het onweer definitief losbarste.

Twee dagen later zitten we op de Sancaka Pagi-trein naar Yogyakarta. We denken terug aan de moeizame procedure om onze fietsen mee te krijgen (communicatieproblemen troef!), aan het folklorefestival dat in de stad plechtig werd geopend, de becak-ritten en het bezoek aan de Arabische & Chinese wijk. Nog steeds levendig, zeker die eerste, al leek het meer vergane glorie.
Landschappen flitsen aan hoge snelheid voorbij. We staren door de barst in het glas naar buiten, dromend van roggebrood met kaas….

vrijdag 22 april 2011

19 Tour de Lombok

“He that is a traveller must have a back of an ass to bear all,
A tongue like the wagging of a dog to flatter all,
The mouth of a hog to eat what is set before him,
The ear of a merchant to hear all and say nothing”

Thomas Nasche [1567-1601]




Vrijdag 22 april: we zijn terug op Bali na een ‘Tour de Lombok’. Het was een ervaring, doch goed of slecht, we zijn er nog niet helemaal uit. In ieder geval heeft Lombok indruk nagelaten. Omdat het overgrote deel van de bevolking praktiserend Moslim is en het eiland een pak minder toeristen te slikken krijgt in vergelijking met reisparadijs Bali, reageerden de mensen opmerkelijk anders op onze doortocht op ongemotoriseerde tweewielers. Ach ja, je kan je ook afvragen waarom iemand zoiets doet, daar fietsen in de tropische warmte terwijl de fiets nota bene quasi onderaan staat op de transportladder. Van de Gili-eilanden reden we langs de kust tot aan de splitsing naar Senaru. Het dorpje is de uitvalsbasis voor beklimmingen van de vulkaan Rinjani, met een flinke 3700 meter nummer twee als hoogste punt van de hele Indonesische archipel. Geen molshoop, maar een serieus te nemen piek. Op een paar uur per dag na, meestal in wolken gehuld. Eigenlijk planden we niet de eenrichtingsweg naar dit dorp te volgen, zeker niet omdat er binnen de vijf kilometer van zeeniveau naar 600 meter geklommen moet worden. We waren compleet uitgeput die dag en hadden meer dan ooit dringend nood aan een slaapplaats. Ten einde raad, zittend aan de kant van de weg, werden we benaderd door Jul, trekkingorganisator, die bij ’t horen van onze herkomst foutloos de eerste twee zinnen van Will Tura’s “Ik ben zo eenzaam zonder jou” uit z’n hoed toverde. Het maakte veel goed op die moment! Op één of andere manier geraakten we in Senaru, waar we transport regelden tot op een pas van 1660meter. Met een halve blik op de prachtige Sembalun-vallei, hingen we onze tassen aan de fiets, bedankten de chauffeur, genoten nog heel even van het landschap en maakten ons klaar voor een lange afdaling. Tientallen apen vluchtten het struikgewas in, niet wetend wat er zonet kwam langsgereden. Ook verschillende dorpsbewoners wisten even niet wat er gebeurde toen die twee fietsers daar tegen vijfenveertig kilometer per uur voorbijflitsten. En net wanneer dat ene heuveltje eraan kwam een beetje bijtrappen… en hop, op naar beneden, gefocust op de apen en de gaten in het wegdek. Héérlijk freewheelen was het! Al kan je dit gerust valsspelen noemen, enkel voor het plezantste deel van de rit kiezen. Ere wie ere toekomt. (Ons niet in alle geval).






‘s Middags stoppen we langs de kant van de baan. Een oma’tje, haast zonder tanden, voorziet ons van rijst en pikante groenten met schijfjes in vet doordrenkte rösti-achtige snackjes. De gefrituurde stukken droge kip en de lauwheid van dit alles, baarde ons lichtelijk zorgen…
De rest van de rit vervolgde zich, via Labuhan Haji, door ’t glooiende landschap van centraal-Lombok. Bamboebossen en rijstterrassen waren nooit ver af. Op een gegeven moment reden we door een rivierbedding. We maakten snelheid. Het scheelde niet veel of we reden recht op een, ten dele platgewalste varaan. We schatten de (originele) lengte van het beest op anderhalve meter. Was diens enige habitat niet op het eiland Komodo?
Net geen 100km later, eindigden we in een lila leegstaand kamertje in Praya. Het behoort Eny toe, een gesluierde lerares Indonesisch. Ze bracht ons naar het kleine eetstalletje (‘warung’) van haar schoonzus, aan de rand van een veld. Wanneer het vet van de blokjes vlees een laag vormde op lippen & gehemelte, wisten we dat dit avondmaal een regelrechte aanslag was op het spijsverteringsstelsel. Dat we van het eten die dag niet serieus ziek zijn geworden, begrijpen we nog altijd niet…
Ondertussen buigen we de hoofden over de landkaart, peinzend over een vervolg van onze reis.
De duizenden begroetingen van onderweg gonzen nog altijd door onze hoofden. Soms stil, dan weer luidkeels geroep. Nimmer eindigend.

vrijdag 15 april 2011

18 Keerzijde van de medaille...

Een nieuwe wereld blijft het toch, met zoveel zaken die maar moeilijk wennen. Naast het snikhete, vochtige klimaat doet ook de mens ons geregeld de wenkbrauwen fronsen. De eilanden die tot de groep Nusa Tenggara behoren zijn alom geprezen vakantieparadijsjes, toch is er ook de keerzijde van de medaille. Geen publiek geheim en je moet ook niet ‘off the beaten track’ gaan om te weten wat we bedoelen. We moeten misschien opletten wat we zeggen, maar, ongenuanceerd vinden wij dat er een totaal gebrek aan respect is ten aanzien van:


1) het land & water
2) dieren
3) de medemens


Ondanks dat religie (Hindoeïsme/Islam) absoluut belangrijk is en een groot deel van de Indonesiërs praktiserend door ’t leven gaat, is de mens en général vrij individualistisch ingesteld. Geloof maakt van iemand niet per se een betere mens! Eigenbelang, verbogen vriendelijkheid naar buitenlanders toe en geld zijn sleutelbegrippen. Al vraagt dit vermoedelijk wel om een woordje uitleg?
Land en water worden grandioos vervuild, tenzij de grond privé of voor landbouwdoeleinden gebruikt wordt. We hebben nu al een aantal kleinere boten en ferry’s genomen en zijn –naast de semi-bouwvalligheid ervan- al menigmaal verschoten van wat er allemaal overboord gesmeten wordt. Tussen Bali & Lombok zie je soms lijnen of eilandjes van drijvend niet- of moeilijk afbreekbaar afval. Riolen monden uit in zee en aan land gaan rookpluimen van smeulende hopen rotzooi de atmosfeer tegemoet...

Dat de band die de mens met dieren heeft louter functioneel is, maakt ons triest. Vandaag hebben we, vanop de fiets, zelfs een auto recht over een (straat-)hond zien rijden in een klein dorpje. Expres, met vluchtmisdrijf. Kreten van helse pijnen gingen als golven door het landschap. We stopten. De tranen stonden ons in de ogen. WAAROM? Het schreeuwerige gejank dat het op-de-rug-liggende beestje produceerde en het beeld van een andere hond die aangesneld kwam, spookt nog steeds door onze hoofden. (Straat-) katten worden hardhandig meters verplaatst en paarden en ossen zijn geboren als lastdieren, puur om de mens te dienen. Vierentwintig op zeven. Affectie is compleet uit den boze. Tenzij we dit gewoon verkeerd inschatten? Hopelijk wel…

Het zal ook voortvloeien uit de perceptie die we als vreemde, toerist zijnde hebben van de omgang met anderen, maar in feite zijn we niks meer dan een wandelend buideltje dukaten (ergens zeker te begrijpen), oprechte vriendelijkheid is ver zoek. Contact staat vaak in 't teken van de Rupiah's die moeten rollen. Zo zal een verkoper bijvoorbeeld altijd vriendelijk zijn en al lachend vragen hoe het met iemand gaat en zo zal ook de eerste de beste mens waar we even stoppen dat ene adresje opdringen om te overnachten. Alles, van sigaretten tot een boot naar ergens, is altijd duurder voor een ‘orang putih’ (beleefd vertaald als ‘westerling’). Totdat je de doorsneeprijs van iets weet en de verkoper hiermee confronteert. Hardnekkige verkopers van allerhande onnuttige prullen –zoals daar zijn gouden dolken en meterslange parelmoerkettingen- blijven vaak aandringen. Na drie keer, eerst uiterst vriendelijk, nee te hebben gezegd, moet een mens kordaat worden. Niet plezant, wel nodig. Kan vermoeiend worden! Het is gewoon zo dubbel. Mede aan de basis van dit ligt ook onze kritische kijk op de wereld (zullen we maar zeggen…). En het feit dat we vandaag een dag-om-te-vergeten- hebben beleefd. Beste lezer, de details worden U bespaard.

Dit gezegd zijnde, als we spreken van de andere kant van de medaille, moeten we het ook hebben over die ándere kant. Die is er ook. Gelukkig maar!
Vanaf Jimbaran begon de eigenlijk trip. Verkeerschaos wordt overzichtelijk wanneer je eenmaal inzicht verschaft wat betreft de geschreven, en nog belangrijker, de óngeschreven regels op de baan. Met andere woorden: eerst is eerst. De wet van de sterkste, noemde Darwin het ooit. Op de fiets sta je sowieso onderaan op de ladder, toch is ’t aan te raden je te gedragen als de “sterkste” (desondanks is een wakkere geest raadzaam!).
Kriskras bolden we te midden duizenden toeterende Co²-producenten, flirtend met de kust Ubud tegemoet. Na lange tijd terug te fietsen wekt op één of andere manier steeds een gevoel van ultieme vrijheid op, onder alle omstandigheden!
Tussendoor sprongen we nog op de boot naar twee kleine eilandjes ten zuiden van Bali.
We namen de tijd voor een geweldig schone wandeling tussen de rijstterrassen rond Ubud en ’t bijschaven van onze ‘onderhandelings-skills’ op de plaatselijke markt. Terug vol energie bolden we via Semarapura en de kleine dorpjes rond Sidemen, in de richting van Padangbai: de toegangspoort tot ondermeer Lombok. Bewust meden we de drukste wegen met de consequentie van omweggewijs flink bergop te moeten rijden. En natuurlijk ook weer heerlijk bergaf te kunnen “freewheelen”. Onderweg zijn de begroetingen [“hellooo mister, hellooo miss!”] niet te tellen. Jong en oud lacht of kijkt vreemd op. Sporadisch weerklinkt zelfs “I love you!”.
De eerste dag in Lombok was puur genieten: met een gemiddelde snelheid van 25km/u ‘sjeesden’ we door ’t landschap. Het leek alsof het zweet bij liters onze lichamen verliet, maar het voelde goed.

De laatste dagen verblijven we op het verste van de drie Gili’s. Het eiland, onlosmakelijk verbonden en gebrandmerkt als een absolute bestemming voor die-hard-party-animals zouden we onder normale omstandigheden links laten liggen. Echter na die ene dag vol van bijna niet meer te tellen tegenvallers, klommen we het lokale bootje in en verlieten het vasteland. Tussen rijst en bakken bier. Gezien het hoge percentage aanwezige vakantiegangers uit Europa & Australië, voelde het even goed niet op te vallen tussen de mensen. We huurden fietsen en toeren het eiland rond, slapen vast en eten & drinken goed. De paradijselijke waterkleur (en temperatuur!) nodigt uit voor een duik tussen het koraal. Muezzins roepen op tot gebed terwijl de kokospalmen lichtjes meewiegen met de wind. Onze plannen zijn vaag met een zin voor genieten. Misschien zoals reizen eigenlijk hoort te zijn?

maandag 4 april 2011

17 Gegroet Bali, nieuwe wereld!

“People are strange, when you’re a stranger… when you are strange" [The Doors]



Bijna alles is nieuw vanaf de landing op Bali. Zoals de hitte in combinatie met een hoge luchtvochtigheid. Ook merk je aan een aantal materiële zaken dat je in Het Oosten bent, zoals een klein trapje dat mensen van het vliegtuig naar de handgeschakelde bus met een defecte deur leidt en een goedkope webcam als derde oog van iedere douanebeambte. Het heeft iets, zo’n luchthavengebouw met pannen op het dak, ver weg van de steriele, strakke, van loopband voorziene perfecte terminal waar men in ‘t Westen naar streeft. Toch ook in de menselijke omgang verandert er iets: vriendelijke medewerkers (iemand bij ’t zien van onze dozen “this is motorcycle? Hahahaha…”). Tientallen geldwisselaars op een rijtje. Als prostituees achter glas wenken ze potentiële klanten die in staat van onwetendheid ingaan op een barslechte koers.
Buiten aan de hekken wacht een massa taxichauffeurs. Verbaasd zijn we als één ervan een bordje vasthoudt met onze naam op, plus het busje is groot genoeg voor al onze bagage. Dan toch? We lachen, dit is een goed begin!
Van het moment dat we de luchthaven uitrijden en later ook te voet door de straatjes verdwalen, doen we onze eerste indrukken op die kenmerkend zijn voor een derdewereldland. Brommers zoeken zich een weg kriskras door het verkeer. Met de claxon binnen handbereik.
Een jongetje bedelt blootsvoets aan een rood licht en honden, katten en kippen liggen en lopen op en naast de straten. Vrouwen balanceren met manden of zelfs een tafel op het hoofd.
De eerste ratten schieten voor onze voeten weg. Weg in de open riolen, weg tussen de hoopjes afval verspreid op de grond.

Hoogst interessant is de letterlijke kleinhandel: karton verzamelaars op de fiets, maïsverkopers en stalletjes met sigaretten per stuk, ouderwetse colaflesjes met afgebladderde etiketten, nootjes en roestige gasflessen. “Waar leven deze mensen van?”, vragen we ons af.
Bij tempels brandt wierrook, handgeweven bamboeschaaltjes met bloemen en rijst liggen her en der als offer voor de goden. We nemen nieuwe geuren waar, afkomstig uit de mix van dit alles.

Bij het strand aan Jimbaran Bay liggen kleurrijke vissersbootjes in het water. Ze zien er uit als grote kano’s met aan weerkanten houten drijvende beugels, een beetje vergelijkbaar met de Polynesische bootjes die we in Nieuw Zeeland zagen. Wanneer we de zon zowaar zien zakken in de zee, schuiven we aan tafel. We eten op het strand, bij één van vele seafood warungs die Jimbaran rijk is. Alleen waren we iets té optimistisch wat bestellen betreft, eindigend met een volle tafel (daags nadien wel geleerd uit onze fout). Het leuke aan de warungs is dat je zelf je vis kiest, die vanuit de met ijs gevulde bakken op de weegschaal gelegd wordt en meteen wordt doorgesluisd naar de chef-koks aan de grill. Geweldig lekker, dat wel!
Later op de avond sieren dansers in traditionele kledij het podium van de restaurants op de tonen en ritmes van Balinese muziek. Muzikanten spelen welgekende klassiekers vlak voor de tafels…

Quasi verloren lopen we over het strand, door straatjes en steegjes en terug over het strand. We waren moe, wat verward door de lange dag en het tijdsverschil. Het hotel kan niet ver meer zijn, alleen... waar precies? We dolen wat verder, zoekend naar een herkenningspunt. “Hello… taxi?”, klinkt het her en der, in het duister. Het begint te regenen. We zijn ervan overtuigd dat we vlakbij zijn en bedanken menigmaal voor het aanbod. We lopen door. Een tijd later komen dan toch op onze bestemming aan en lopen doorheen de –gelukkig open- poort. Het licht reflecteert in het zwembad. De wind waait door de (palm)bomen. In onze kamer vallen we al gauw in een diepe slaap. De ventilator draait ontelbare toeren, ontelbare toeren door de nacht…

16 Nieuw Zeeland: epiloog

De dag van vertrek uit Napier regende het pijpenstelen. Van begin tot eind, gehuld in een grauwe nevel. Een tikkeltje teleurgesteld verlieten we Hawke’s Bay. Teleurgesteld in die zin dat we niet de mooie vergezichten zouden hebben als op een doorsnee zomerdag. Nog voor zonsopgang waren we uit ons bed en namen afscheid van Maureen. In de halve duisternis verwoordden we onze dankbaarheid. Het was zes uur in de ochtend.
We waren on the road again. De laatste echte trip op vier wielen. Net na Taupo wurmden indringende zwaveldampen zich uit de velden in ‘t busje naar binnen. Het zag er wat spacy uit, de dampen, langs weerskanten van de baan. De rit ging verder langs de prachtige Maori-houtsculpturen in Tokoroa, via de landelijke coté van Hamilton richting dé Nieuw Zeelandse metropool bij uitstek: Auckland, smeltkroes van volkeren.
Ondanks het feit dat we al een hele tijd geleden een profiel hadden aangemaakt op de Couchsurfing*-website, is ‘t pas nu dat we er echt gebruik van gemaakt hebben. De eerste vier dagen sliepen we in de bus bij Hamish, een ingenieur van vijftig, o.a. begeesterd door cappuccino & psytrance-muziek. Na twee dagen was ons busje verkocht (een heerlijk eenvoudige transactie), en sliepen we in de tent in Hamish’ tuin, in de suburb Hillsborough. Ondertussen puzzelden we aan de planning voor de laatste tien dagen: mensen contacteren, zien hoe we van A naar B kunnen geraken en bekijken wat we nog kunnen én willen doen. Wijzers draaien voortdurend rond hun as; de laatste dagen tikken weg.
Ook via Couchsurfing maakten we kennis met Angel en Patrick (hun “nieuwe namen”), een Chinees koppel dat sinds 2 jaar op Northshore woont. Het druilerige weekend brengen we door bij deze heerlijke mensen, leren met stokjes eten en proeven van het lekkere eten. Geweldig plezante conversaties leren ons een basis ‘hoe-moet-ik-afpingelen-in-China?’, over een aantal grote verschillen tussen Oost en West, hun ‘vlucht’ van het Chinese regime en over traditionele muziek uit hun geboortestreek. Zeker omdat er blaas- en snaarinstrumenten aan te pas komen die wij helemaal niet kennen, was ik (J) meteen verkocht. Patrick maakte een selectie voor op onze harde schijf.
Na nog een nachtje kamperen op een veel te dure camping (bij gebrek aan beter) zitten we alweer op de ferry, dit keer richting Half Moon Bay, richting Lauren en Graham.
Bij hen mochten we de laatste dagen logeren. We zijn ze zo dankbaar omdat ze met ons grote fietsdozen zijn gaan halen zodat we op ‘t gemakske onze fietsen konden prepareren voor de vlucht.
Tijdens de laatste dagen hebben ze gevraagd of we geen goesting hebben om eens met hun boot ’t water op te gaan. “Sounds good!”, was onze reactie. ‘s Anderendaags tegen 15 á 20 knopen door de Hauraki Gulf, ’t zonneke schijnt, een licht windje waait. De spoedcursus vissen die Graham me (J) geeft levert al gauw drie mooie Snappers op. Gaat smaken!
Nadat enkele broodjes & een flesje Stella achter de kiezen verdwenen waren, sprongen we in de dingy en zetten voet op Motehuie, een onbewoond eiland in de Golf.
Zaterdag, onze laatste dag, verkenden we het eiland Rangitoto. Acht honderd jaar geleden was deze vulkaan nog actief. Anno 2011 is dit (onbewoonde) eiland een wandelparadijs, met adembenemende panorama’s vanaf de top, naast de krater van deze groene vulkaan. Als rietstengels torent de skyline van Auckland zich uit, in het ‘central business district’. Het is een stipje aan de horizon, net als de haven van de stad. Tal van eilanden, zoals Waiheke (zie verslag 5) liggen net boven het wateroppervlak en zeil- en sportvissersbootjes varen er vredig omheen…

Zondagochtend 3 april: om 4uur gaat de wekker. Lauren & Graham stelden al enkele dagen geleden voor om ons naar de luchthaven te brengen. Protesteren had geen enkele zin! Ons tegenargument (“’t vroege uur”) werd van tafel geworpen. En zo geschiedde het.
Het inchecken verliep redelijk vlot, beide vluchten waren -ondanks de krappe beenruimte- aangenaam. Auckland, Brisbane en Brisbane Bali.

Een nieuw continent!


Special thanks to:

Maureen & Bob (Kaukapakapa) for making our first night on the road easier, Jason & Kyla (Invercargill) for their hospitality and ride to the hospital, Kyle & Crystal (Colorado, US) for picking us up while we were hitch hiking in the rain and taking us all the way to Kinloch, Manuela & Mike (Christchurch) for the many nights we could stay with them, aswell after the earthquake, Hamish (Hillsborough, Auckland) and Angel & Patrick (Northshore, Auckland) for their hospitality and last but not least: Maureen Powell (Napier) for giving us a warm home twice when we needed it most, also for her help when we were looking for a van and so much more (!) and Lauren & Graham (Howick, Auckland) for everything they have done for us (getting a last-minute parcel and bike boxes, ride to the airport, etc etc, just too much to sum up!). Thanks a lot guys, we are so grateful : )



*Couchsurfing: een portaal waar thuisblijvers de (gratis) slaapplek aanbieden die reizigers met open armen ontvangen. Het hele project is echter veel meer en richt zich ook op het uitwisselen van reiservaringen onder de CS’ers. Meer info op http://www.couchsurfing.org