Sabaidiee/Soeë-sèdeeï, gegroet beste lezer!
Afgelopen week, op dag nummer vijfentwintig van juni, hebben onze paspoorten er weer een paar stempels bij gekregen. We zijn in Cambodja, na een memorabele rit! Vanaf de Four Thousand Islands bracht een houten bootje ons naar het vasteland, vanwaar we na anderhalf uur het dorpsleven geobserveerd te hebben voor het eerst aan boord gingen van een zogenaamde V.I.P.-bus. Wat een luxe! Tussen de bagage lagen ook meer dan twintig zware zakken groenten en enkele brommers, geadresseerd aan één van de dorpjes in de provincie Stung Treng, noord-Cambodia.
Aangekomen bij de grens was de vraag “hoe geraakt die grote bus hier weg?” stukken interessanter dan de formaliteiten. We verklaren ons nader: sinds jaren – zo verraadt het hoge gras- staan er aan de Cambodjaanse kant een aantal fonkelnieuwe gebouwen, die op termijn de overdekte containers zullen vervangen. Tot op heden dus nog niet in gebruik genomen. Laos wil niet achterop blijven en sprong een tijdje geleden mee op de bouwkar, wat resulteert in een flinke werf. De grens oversteken kan enkel via modderige grindpaadjes die om de werf heen gaan. Op zich geen probleem, ware het niet dat er vlak voor ons een bus tot aan het chassis in de modder steekt. Met man & macht (inclusief vrachtwagen) probeert men de bus uit het slijk te halen, maar tevergeefs, zo lijkt. Laurie en ik waren de enige passagiers die nog op de bus zaten en aanschouwden de helse manoeuvres van onze uiterst ervaren chauffeur. Zo snel als hij kon stuurde de man de bus door het slijk. Door de voorruit zien we mannen roepen en met hun armen zwieren. We made it!
"Respect" zei ik (J), met de vuist nabij het hart, tot groot jolijt van de chauffeur die met een toonbare glimlach stevig uitademt en opgelucht is dat de rit kan worden verder gezet. De weg door de groene lowlands van Cambodja ging vanaf daar probleemloos verder tot aan onze eerste stop, na een paar uur: Kratie, een stadje aan de oevers van de ‘almachtige’ Mekong.
Laos was een genot om door te reizen (los afgezien van de lange, oncomfortabele ritten in lokale bussen en andere vervoersmiddelen met hun onregelmatig vertrekschema, maar goed, zoiets weet je als je naar hier komt). Heerlijk lieve en goedlachse mensen, eenvoudig, niet zo pittig eten (als in Thailand) en best mooie landschappen; zeker in het noorden en centrale deel van de zogenaamde ‘boom van Azië’. Tot de hoogtepunten blijven we de kleine dorpjes rekenen, waar kinderen en volwassenen baden in een kuip of in de rivier, waar boeren met behulp van waterbuffels de rijstterrassen bewerken, dieren op en langs de wegen zitten en het leven zijn rustige gangetje gaat. Dan ervaar je pas echt hoe groot het contrast is tussen ‘onze’ werelden. En toch blijft de tijd hier niet stilstaan, zo bewijst onder meer de immense hoeveelheid zendmasten die de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond zijn gerezen en de fonkelnieuwe Toyota pick-ups die door de straten rijden.
Via het obligatoire bezoek aan de hoofdstad Vientiane, besluiten we terug naar de natuur te gaan. Een tocht door de grotten van Konglor werd weer een nieuw hoogtepunt. Ja, het was de urenlange rit, essentieel om er te geraken, meer dan waard. Chef mechaniek besluit de hemelsluizen wagenwijd open te zetten wanneer we aankomen in het dorpje Ban Kong Lo, zodat we zeiknat onze intrek nemen in de Eco Lodge. Die avond deden we niet veel meer dan wachten tot het ochtend werd…
Maar dan, de tocht zelf: wanneer we door het bos bij de bootsmannen aankomen, horen we dat er nog iemand interesse heeft om een boot te delen. Ik (J) loop de uit rotsen uitgekapte trappen naar beneden tot aan het begin van de grot en maak kennis met een Canadees. Ideaal! Gedrieën stapten we in het bootje (verwant met de kano-achtigen). Het water slingert zich een weg van zeven kilometer door de grotten,soms tot 100 meter breed, langs stalagmieten, langs hoge zuilen. Meestal is het zo goed als pikzwart. Aan de andere kant van de grot houden we halt in een dorpje (nuja, enkele hutten), die dezer dagen nog altijd alleen via de grotten te bereiken zijn (!).
Eenmaal terug in Ban Kong Lo kwam ons het nieuws ter ore dat er die dag nog één vertrek gepland stond. Op de ene voorwaarde dat er genoeg mensen gevonden werden voor de rit. Dit gebeurde gelukkig. In allerijl pakten we de rugzakken in en verorberden nog een flinke portie rijst zodat we klaar waren om uren op de baan te zijn. De jonge bestuurder van de songthaew vertrok een uur later dan voorzien en reed zo traag als hij kon (lees: 20 km/u ofzo). Althans, zo leek het. De wazige blik in zijn ogen ontkende nuchterheid. Als passagiers maakten we mekaar wijs dat het “pure concentratie” was en hoopten op een ongevalvrije tocht door de heuvels, terug naar de splitsing.
De man besloot halverwege het beloofde traject het voor gezien te houden en dropte ons aan de lokale bus die zich net aan de kant van de weg parkeerde om een stuk of vijf scooters op het dak te laden. Het werd donker...
Dagen verstreken en zo kwam ook het einde van onze reis door Laos stilaan in het vizier. In Pakse, de grootste stad van de zuidelijkste provincie van het land, vestigden we ons voor enkele dagen. Van daar uit maakten we onder meer een 2daagse trip met een semi-manueel 110cc brommertje over en langs het Bolaven Plateau. Vooral doordat het Plateau grote bekendheid heeft verworven omwille van de vele koffie- en theeplantages, leek het ons niet meer dan normaal ook eens de lokale roast te degusteren. Een Nederlander met een boontje voor koffie, die al enkele jaren in Paksong woont, liet ons proeven van een kopje Luwak, één van de duurste soorten op aarde. Een specialleke! Onder baristas is deze ‘soort’ welgekend, maar de kans is groot dat een doorsnee liefhebber van een bakkie troost, als wij, er nog nooit van had gehoord. Wat de koffie zo bijzonder maakt is enerzijds de schaarste en anderzijds het arbeidsintensieve proces dat aan de eigenlijke zjat vooraf gaat. De bessen (bv. van Arabica of Robusta-planten) worden door een civet (wezelachtige) opgegeten, maar doordat de maag van het diertje de bonen waar een vliesje ronde zit zelf niet kan verteren, eindigen de bonen op de grond. En dat ziet er ongeveer zo uit
Een espresso-zjatteke kostte ons 25,000 kip (iets meer dan 2euro, wat hier best duur is), terwijl een tas in een prijzig restaurant in Europa al gauw 50euro kan kosten! Waanzin toch?
Na de koffiestop reden we verder. Het was grijs buiten en een regenjas bijhebben was geen overbodige luxe. Die nacht sliepen we in het dorpje Tad Lo, bekend voor zijn watervallen.
Vanuit Pakse bezochten we ook de tempelsite Wat Phu, nabij Champasak. Een brommertje huren was weer ideaal! Eenmaal we de Mekong overgestoken waren [in Pakse enorm breed! De foto’s op de blog van dezelfde rivier in het noorden van ‘t land zijn allesbehalve indrukwekkend. Met een beetje verbeelding zou het de Kleine Nete kunnen zijn!], sloegen we linksaf op een spiksplinternieuwe asfaltweg. Op het eerste zicht was het ietwat surrealistisch: een haast verlaten baan, langs verschillende kanten omringd door begroeide rotsen, met enkele watervallen, waarvan de toppen in de wolken zaten. Hier en daar waren er hutjes en honden, koeien & pluimvee sliep op en liep over straat. Boeren ploegen de geaggregeerde rijstvelden, met dichtbegroeide heuvels op de achtergrond. We probeerden ook verschillende onverharde weggeskes uit die er door de regen gevaarlijk glad bij lagen.
Hoogtepunten waren zowel de architectuur (Ankor-periode!) als prachtige panorama dat je hebt vanaf de Upper Level. Raar maar waar waren er tijdens ons bezoek maar een 15tal andere toeristen die voor Wat Phu kwamen. Dit zou je misschien niet direct verwachten van een tempelcomplex dat de ‘erfgoedbescherming’ geniet?! Het deed ons alleszins plezier dat men sinds enkele jaren terug actief met de wederopbouw bezig is. Gedetailleerde computersimulaties tonen de plannen voor de onderste van de gebouwen, terwijl foto’s de evolutie bewijzen van de afgelopen jaren. We zien ook de internationale ploeg aan het werk die met het ‘stenen puzzelwerk’ langzaamaan de oude glorie herstelt.
Eindigen doen we dit blogbericht in Si Phan Don in het absolute zuiden van Laos, beter gekend als de Four Thousand Islands. De Mekong is hier op ’n breedst, op sommige stukken mogelijk tot 14 kilometer, met daartussen massa’s verschillende eilanden (zeker buiten het regenseizoen). Enkel de grootste ervan zijn bewoond. We blijven enkele dagen op verschillende van de eilanden en verkennen het landschap, de restanten van de oude spoorlijn die de Fransen er ooit aanlegden en de brede cascades per fiets. Zon, regen en onweer wisselen mekaar af.
Laurie's aantrekkingskracht op de buurtkatten is weer niet te stuiten (het kan ook omgekeerd zijn, enfin), zodanig dat er weer ettelijke poezen op haar schoot belanden. Weemoedig halen we herinneringen op van ‘de Zappa’, die nog niet zo heel lang geleden op 23jarige gestorven. Goeie herinneringen.
Als ultieme afsluiter nog een fijne anekdote over een “gekregen paard”: tijdens één van stops, die de lange busritten moeten breken, zien we dat een monnik naast ons benaderd wordt door een klein meisje. Ze houdt een zakje vast met twee gekoelde blikjes frisdrank. Vlak voor de monnik knielt het meisje, houdt haar handen op ooghoogte, zonder de man ook maar aan te kijken. Hoopvol overhandigt ze ‘het geschenk’. De monnik had dorst en aanvaard één van de blikjes. Een blik van ontgoocheling. Kort nadat het meisje weggegaan is, gaat de man met het blikje terug naar het drankstalletje -vanwaar het blikje uit de koelbox komt- en ruilt het droogweg voor iets anders. Een gekregen paard is in de bek gekeken en niet goed bevonden…
PS: bij het schrijven van dit bericht bevinden we ons in Siem Reap, op een steenworp van het achtste wereldwonder: de tempels van Ankor Wat.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten