donderdag 24 februari 2011

13 Aardschok in Christchurch...

Dinsdag 22 februari, iets voor één uur in de namiddag beefde de aarde. Zes punt drie op de schaal van Richter, met het epicentrum op amper 10km zuidoost van het centrum van Christchurch. Ons busje, dat met de oog op verkoop van een grondige wasbeurt werd voorzien in de tuin van Mike & Manuela, stond op het punt om te kantelen. Laurie & ik zochten houvast en maakten ons zo klein mogelijk op de stoep en wachtten af in spanning, tot de beving minderde. We dachten dat de wereld verging ! !
Het bakstenen muurtje van de buren stortte als een kaartenhuisje in mekaar, terwijl een kat zich nog snel een noodweg zocht doorheen de haag. In paniek komen Manuela en de kinderen, Jordan en Bryce, het huis uit gevlucht. Voor enkele seconden was zelfs de deur geblokkeerd. Binnenin de klank van scherven.
En vanaf dan, slechts enkele minuten na de beving, ontstond er chaos. In een mum van tijd repten ouders zich naar de schoolpoort om te zien of hun kroost veilig was. Water en modder borrelden op uit de grond, elektriciteit viel uit en op de wegen vormden zich files. Iedereen wilde zo snel mogelijk de stad uit. Sirenes weerklonken op de achtergrond. Enkele betonnen muren, daken en de geasfalteerde wegen vlakbij liepen grote schade op. Schade die voor ons zo unreal oogde.

De eerste berichtgevingen die ons via de autoradio bereikten maakten al snel duidelijk dat het serieus was. Vooral het centrum van de stad zou een slagveld zijn, waarin gebouwen waren ingestort, bussen crashten, mensen vast zaten op kantoor en glas de oppervlakte bedekte. Ziekenhuizen werden ontruimd en de luchthaven gesloten. Een trein ontspoorde. Telefoonnetwerken waren overbelast. Tot zover geen nieuws over gewonden. In de uren die daarop volgden werd het stilaan duidelijk dat de ravage groot was. Deze aardbeving was volgens de mensen hier zwaarder dan de 7.1 van in september (2010). Seismologen verklaren dit doordat het epicentrum nu veel dichterbij was en de beving meer aan de oppervlakte.
De rest van de namiddag zaten we aan de radio gekluisterd. Geregeld volgde er een naschok.
Onze eerste aardbevingervaring (zie blogbericht 7) was peanuts vergeleken met dit, maar gaf ons toch al een versnelde hartslag. Het is nu uren na de beving en we hebben nog geen water, elektriciteit of een idee hoe het centrum van de stad eraan toe is. We wachten verder af in spanning. Benieuwd wat de nacht gaat brengen…


Woensdag 23 februari:


Omwille van de vele naschokken hebben we barslecht geslapen. Onze matras lag op de grond, naast de open deur zodat we, moest het nodig zijn, meteen buiten waren. Het was dikwijls kantje-boord (“holy shit!!”, schrokken we). We merkten dat er verschillende soorten van naschokken zijn, variërend van licht-golvend (bubbelig, een gewaarwording van vergevorderde dronkenschap!) tot de meer zwaardere schokken waarbij het hele huis, en zowat alles dat er in staat, daverde. In de namiddag zijn Laurie en ik met de fiets de omgeving gaan verkennen, de schade gaan opmeten zeg maar. We zitten in een buitenwijk in het noorden van de stad, en hebben nog geen idee hoe het centrum eruit ziet. We zagen wegen die opengereten waren, ingestorte huizen, straten die blank stonden en grijze, met slib gevulde rivieren die in omvang waren verdubbeld. Hier en daar bieden mensen het water aan dat ze nog hebben…


Donderdag 24 februari:


’s morgens staat er in de straat een kleine vrachtwagen met drinkwater. De buurt verzamelt met allerhande lege flessen, emmers en koelboxen. Pas in de namiddag hebben we, na 50uur, terug elektriciteit. Een vreugdemoment zowaar! Zo snel als we konden checkten we onze mails en bekeken de (voor ons) eerste beelden van de grote ravage die de aardbeving totnogtoe veroorzaakt heeft. Vooral het centrum van de stad, waar al meer dan 75 lichamen geborgen zijn, is er erg aan toe. Er moest zelfs iemands been geamputeerd worden om van onder de brokstukken uit te kunnen komen.
Twee dagen lang hadden we geen of een beperkt beeld van wat deze beving teweeg had gebracht, maar na het zien van onze eerste beelden dringt het pas echt door wat een catastrofe dit is…


Enkele beelden van de schade hier vlakbij, inmiddels nog niet eens half zo indrukkend als de beelden die jullie al gezien hebben waarschijnlijk :)

maandag 14 februari 2011

12 Al krabbend door berg & dal...

[edit 2: 5 landschapsfoto's toegevoegd tot "Marlborough Sounds"-album - 21/2/11]
[edit: nieuw fotoalbum "Marlborough Sounds" toegevoegd - 18/2/11]


Het leven on the road kan schoon zijn, beste lezer. Zeker weten. We slapen lang, soms bijna ’t klokske rond en worden wakker van de zon die ons, onopzettelijk weliswaar, uit ons busje wil krijgen. Alle andere kampeerbusjes zijn meestal al terug op pad als we ons onder de levenden begeven. Afhankelijk van de zwermen sandflies, die watertandend bij de geur van bloed op ons afgestormd komen, ontbijten we ter plaatse (vaak muesli, brood & koffie). Anders maken we dat we startensklaar zijn en zien de eerste kilometers onder de wielen verdwijnen. Al rijdend gooien we de ramen open en sporadisch ook al eens een deur. De vliegjes die we in ’t vizier krijgen nijpen we de dood tegemoet en dit, terwijl we krabben als zotten. Een sketch van In de Gloria herinnert ons dan -tot groot jolijt!- luidop aan “doe’wet doe’wet, drei kere doe’wet”. Moet nogal een zicht zijn ons op zo’n moment te passeren!

Het rijden wordt geregeld onderbroken voor een fotostop, ook los van een bezienswaardigheid. Of we zetten de bus aan de kant voor koffie en een pie [:paai]. Pies, al dan niet in een vegetarisch jasje, vinden we hét voorbeeld van de Nieuw Zeelandse haute cuisine. Omdat ze vaak handgemaakt zijn, verschilt de smaak telkens. Onder het motto ‘one pie a day keeps the doctor away’, proeven we maar al te graag de verscheidenheid in smaak en textuur.
Ook leuk is een blitsbezoek aan de lokale opp shop, een tweededehandswinkeltje met allerhande leuke prullaria, om onze picknickmanden aan te vullen met bestek of een bord of om een trui aan te schaffen voor een niemendal.

Met een gemiddelde, heerlijke maximumsnelheid van 80 km/u, glijden we door het landschap. De highways zijn zo goed als altijd tweebaanvakken (één strook per kant), wat maakt dat we geregeld een voertuig langs onze rechterkant voorbij de stippellijn zien rijden. Doch een norse blik krijgen we zelden te zien. Meestal glimlachten de inzittenden, soms wuiven ze. Wanneer we duidelijk trager zijn en dusdanig als locomotief fungeren, maken we zo veel mogelijk gebruik van de pechstrookjes. Gedurende die paar seconden “off-road” zijn we dan weer locomotief af, zodat zulk een actie met een dubbel geclaxonneer wordt beloond. Iedereen blij dus. Occasioneel bollen we tegen zestig per uur over kleinere wegen, om nog meer te kunnen genieten van de immer veranderende omgeving.

In de late namiddag start de zoektocht naar een geschikte plek voor de nacht. Soms kamperen we legaal, dan weer iets minder. De meeste ‘legale’ nachten brengen we door op een DOC-camping: met een absoluut minimum aan faciliteiten (toilet, water & zo nu en dan ook een vuurplek – een betaalsysteem op basis van eerlijkheid), voor slechts een handvol dollars. Deze plekken situeren zich meestal in een bosrijke setting met een meer of rivier op een steenworp verwijderd. De zwermen muggen en sandflies (soms ook een muis) krijg je er zo bij, wat dan weer de verveling –absoluut nooit aanwezig, maar in ’t geval ze moest ontstaan- omzet in een bezigheid.


De mensen die we onderweg ontmoeten zijn allen enorm vriendelijk & klaar om te helpen. Het contrast met het leven thuis is best groot. Geregeld stellen we ons, puur hypothetisch, de vraag of niet verenigd Vlaanderen hierheen zou moeten komen. Gewoon voor een paar weken maar, om te ontdekken dat de mens, globaal genomen in een wereld vol uitzonderingen, een sociaal wezen is naar ALLE mensen toe en niet enkel naar z’n kenniskring. Bij wijze van illustratie: we constateren dat het maar zelden voorvalt van een voorbijganger geen “good day” of groet toegeworpen te krijgen of dat een kassierster –al dan niet gemeend- vraagt “how are you today?”. De meesten houden het op “hi (there)” of “hello”, wat –bij ons thuis- nog altijd ver boven de gemiddelde communicerende passant uittorent. Zelfs een uitzonderlijk norse garagist laat meteen z’n werk vallen om te horen waarmee hij kan helpen. Wanneer we nog op de pedalen stonden en even aan de kant van de weg de kaart bekeken of aan de fietsen sleutelden, stopte er meer dan eens een auto om te vragen “are you all right, guys?”. Heerlijk, toch?!

[het moet gezegd, we zijn ons ten volle bewust dat iedereen die dit leest een uitzondering vormt op deze kritische noot!]. Waar is het veranderd dat mensen hun buren niet meer kennen?
Misschien is het omdat we zo ver van huis zijn dat we ons van die vragen beginnen te stellen. Vragen in verband met de humane communicatie, vragen over de interactie met mekaar. Misschien ook omdat we zien dat het ook anders kan en dat de gevolgen hiervan best verregaand kunnen zijn. De mens als gelukkig wezen, terug naar de wortels van het bestaan.

Enfin, terug naar het eigenlijke reisverslag! In een notendop een blik op het vervolg van onze trip op zuidereiland:

Van Fiordland zijn we door de provincie Otago stilaan terug naar Canterbury gereden. Onze paspoorten, van verlengd visum voorzien, moesten opgepikt worden in Christchurch. Omdat dit wel eens onder de neus geschoven moet worden van een strikt-haar-werk-doende caissière (onder meer bij de aanschaf van druivensap van hoge gisting), maakten we maar al te graag een ommetje. Nuja, ommetje, we zouden eigenlijk toch terug noordelijker gaan en zouden dan toch min of meer de grote stad moeten passeren. De hoofdwegen zijn hier beperkt en een cluster van straten kriskras door de vele nationale parken blijft hopelijk nog lang uit (laat ons de vingers kruisen!). Vanaf de stad reden we via Lewis Pass de westkust tegemoet. Regen en zonneschijn vechten duels van hoog niveau met elkaar uit, wat de ene dag mooi maakt en de andere weer iets minder.
Zover als we konden, bleven we oceaan aan onze linkse kant houden en belandden na de laatste kilometers op een onverhard baantje in het meest noordelijke plaatsje aan de westkust. Het einde van de rit, zeg maar. Enkel te voet kan je nog dieper de wouden in, opzoek naar een wilderniservaring.
De dorpjes onderweg stralen settlers-geschiedenis uit en bevatten nog luttele resten van wat de goudzoekers ooit hierheen bracht.

Binnendoor “taffelden” we Nelson Region tegemoet, gelegen in ‘t topje van het eiland. We ontdekten fraaie (wild)kampeerplekjes, vlak aan Golden Bay. Zo kwamen we onlangs als bij toeval uit bij een baaitje binnenin de Gouden Baai. We waren al een tijdje aan ’t zoeken naar een plaatske en probeerden zijstraatjes van de highway, in de richting van de zee. Na menigeen weggetje te zijn ingedraaid, vonden we, na een klein stukje hobbelweg, een gemoedelijke stek voor de nacht. De schoonheid van dit ongerept stukje natuur hield ons daar vier maal eb en vier maal vloed lang. Lezen, thee & een avondmaal koken, wandelen, zwemmen en een ketting maken van allerhande schelpen en slakkenhuisjes, deed de klok gezwind haar wijzers draaien. Althans, zo leek het toch. Snelheid- en tijdsbeleving is relatief. Cape Farewell toonde ons haar schoonste stranden, stranden die we tot de beste ooit gezien rekenen! Het water, kristalhelder, nodigt uit voor een zwempartij.

Momenteel reizen we gestaag verder in de richting van de Marlborough Sounds en hopen op die manier een beetje de hordes toeristen uit onze buurlanden (én Israël!) te vermijden. Eerlijk is eerlijk, daarom zijn we niet aan de andere kant van onze planeet, moeder aarde.

woensdag 2 februari 2011

11 Stapvoets de horizon voorbij...

De Nieuw Zeelandse gastvrijheid en een ‘easy going’-attitude blijven ons keer op keer verbazen. Het is… zo normaal… het leven kán eenvoudig zijn, zo lijkt. Geen stress hebben doet veel met een mens.
De afgelopen twee weken zijn we van Fiordland naar het absolute zuiden gereisd en via The Catlins Coast terug naar het binnenland gegaan. Het plan was ook de natuur te gaan ontdekken op Stewart Island, maar een uitloper van een cycloon deed ons van gedacht veranderen… nuja, op reis wordt je eigenlijk voortdurend geleid door het lot. Geleid door toeval en geluk. Geleid door intuïtie en omstandigheden…

De zuidkust, met name The Catlins, verraste ons het allermeeste met de (Yellow-Eyed) pinguïns die ’s avonds -na een dag jagen- één voor één op de rotsen aan land gaan, de Hector-dolfijnen zien zwemmen en zeeleeuwen horen brullen nabij Cannibal Bay (zie foto’s). Zeker deze laatste vanuit de duinen observeren en vanop een afstand voorbij gaan op ’t strand doet iets met een mens.
De ijskoude zuiderwind -niet van Spanje of de Azoren als thuis, maar recht van Antarctica!- blies ons van tijd bijna van onze sokken, doch de zon scheen terug zodat we weer wisten dat het zomer was in januari.

Het binnenland trok ons aan als een magneet. Ons pad liep door kleine dorpjes met een rijke goudzoekersgeschiedenis, langsheen rotsige maanlandschappen met zicht op wilde rivieren die slingerend canyons vormen, langs wijngaarden en door groene valleien vol grazende schapen… op de baan amper verkeer. Nieuw Zeeland op z’n mooist.

Een tip van Maureen bracht ons in Kinloch, ten noorden van het grote S-vormige Lake Wakatipu. Na een nacht in de lodge (dat tot erfgoed gerekend mag worden als één van ’s lands oudste herbergen), startten we de Routeburn Track, dat in ’t rijtje staat van de zeven Great Walks die het land rijk is. Met het plan om aansluitend een andere driedaagse hike te doen, waren onze rugzakken goed van kilo’s voorzien. Dichtbegroeide regenwouden en sub-alpinegebied (de boomgrens voorbij) zorgden samen met een minimum aan lichamelijke ongemakken voor een schitterende tocht voor ons beiden, zeker na een harde verwelkoming in de wereld van tramping [zie blogbericht 8]. We hadden de eerste en derde dag regen, maar de dag van de klim over Harris Saddle was schitterend. Vanop de top, zowaar de grens tussen de nationale parken Mount Aspiring & Fiordland, konden we zelfs de Tasmaanse zee zien. Zalig! Helaas waren de laatste weersvoorspellingen te slecht om nog drie dagen extra te doen. We kampeerden, dus de kans op natte slaapzakken & kleren was te groot en daarom hebben we unaniem het besluit genomen het bij de Routeburn te houden. Alleen, dit had wel logistieke consequenties: het einde van de tocht was 350km van ons busje verwijderd…

Uitgeregend begonnen we te liften op onze sandalen. In onze handen natte schoenen, in gedachten flitsen landschappen voorbij; de landschappen van de afgelopen dagen.
Uiteindelijk hebben we de afstand met amper twee lifts, van collega-reizigers in kampeerbusjes, overbrugd. En dat slechts in een namiddag, wetende dat Kinloch, dat uit niet meer dan de lodge en een huis of drie bestaat, het allerlaatse dorpje is op een doodlopende gravelweg. De laatste 9km om hier te geraken is een vreselijke, eeuwig durende wasbordweg. Bluegrass-liefhebbers uit The States brachten ons naar onze terminus. Liggend in de hot tub, nagenietend, met de blik op het water & de bergen is de beloning groot. We hebben ongelooflijk veel chance gehad!


Na twee dagen ultieme ontspanning in Kinloch, doorkruisen we centraal-Otago opweg naar de oostkust.


vele groeten uit Otago Peninsula,
J&L


PS: nog niet zo lang geleden hebben we van de immigratiediensten het geweldige nieuws gekregen dat onze beide visa verlengd zijn tot en met 16 mei. Op 3april vliegen we naar Bali.