Edit 2: eerste 3 foto's in het album "Thailand 2" [25 juli]
Edit: 9 nieuwe foto's toegevoegd op het eind van "Cambodja 2" [20 juli]
---------------------------------------------------------------------------------------------------------
Beste lezer, houdt U vast aan de takken van de bomen, want omdat het weer een tijdje geleden is dat hier nog wat nieuws te rapen viel, volgt een verslag dat qua lengte zijn eigen record verbreekt. Drie, twee, één, Start:
“Once you’ve seen one of them, you’ve seen them all”, zei iemand ooit over de machtige tempels van Angkor. “Definately not true”, zouden we nu kunnen zeggen, nog steeds onder de indruk van de immense portie Angkoriaanse architectuur. Nog anders dan Ayutthaya of Sukhothai, blijven de tempels een zekere waardigheid behouden uit de gloriedagen. Het zit ‘em misschien in de ruwheid, in de diep gewortelde geschiedenis, al mag geen één van deze drie sites met elkaar vergeleken worden. Op de eerste dag kozen we voor de fiets om de centraal gelegen tempels te verkennen rond Angkor Wat, (groot)moeder van alle tempels. Laurie wist hiervoor een behoorlijke mountainbike te strikken, terwijl ik de kans niet kon laten schieten om als tweewieler een museumstukje te kiezen. Chinees fabricaat; made in Shanghai in de jaren stillekes. Het gebied waarin de tempels rond Angkor Wat liggen is enorm uitgestrekt. Alleen al door min of meer de small circuit te volgen kwamen we aan 30km op de teller op ’t eind van de dag…
Voor de meer afgelegen tempels huurden we een tuktukchauffeur voor een dag en combineerden steen met hout: een rit naar de paalwoningen van Kompong Pluk. Na een lange roestbruine gravelweg, arriveerden we bij enkele tenten. Mannen staan tot aan hun borstkas in het water en gooien netten uit. Hier en daar werkt iemand aan de omgebouwde motoren van de houten bootjes. Een jonge kerel doet teken dat we aan boord mogen en we nemen als enigen plaats op de losstaande bamboestoeltjes. Wat het dorp juist bijzonder maakt is dat het opgebouwd is aan de oevers van een mangrovebos, tussen land en het Tonlé Sap-meer. Het zijn stelthuizen, van zeven meter en hoger; essentieel wanneer het waterpeil drastisch stijgt (zou meermaals per jaar gebeuren). Als we na een omweg via het meer aanleggen in het centrum van het dorpje, lijkt de omgeving surrealistisch; net een filmdecor.
Niemand verlaat Siem Reap, door de ligging vlakbij bij Angkor Wat stad nummer één voor buitenlandse bezoekers in Cambodja, zonder overweldigd te worden door de vele ietwat opdringerige bedelaars die in het centrum actief zijn. Onder hen zijn er veel kinderen die postkaarten en gekopieerde boeken verkopen en mannen die de aandacht trekken door hun missende arm(en) of be(n)en –al dan niet vanuit een rolstoel. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat gaan ze alle terrassen en restaurantjes af en proberen telkens weer diezelfde basic conversatie aan te knopen in ruil voor wat riel of een dollar. Het is vaak alles dat ze kunnen doen en dus ook hun enige inkomen. Als mens zet het je aan het denken. Geven, niet geven? Hoeveel? Waarom de ene wel en de andere niet? We zijn er ons ten volle van bewust dat bedelen voor heel wat mensen hier een kwestie van leven of dood is (zeker voor mensen met lichamelijke handicap, o.a. veroorzaakt door landmijnen), maar waar houdt het op, hoe zoek je een goed evenwicht hiervoor? Een moeilijke oefening.
Na een scheerbeurt bij ‘t plaatselijk barbiertje en vijf dagen later, werd het weer tijd om verder te gaan. Verder in de richting waar de zon onder gaat…
Via het Tonlé Sap-meer en vervolgens stroomopwaarts via de rivier, bereikten we na 9uur de stad Battambang. De overtocht zelf was bikkelhard in een te kleine boot, iedereen zat dicht opeen gepakt en rechtstaan was onmogelijk. Daar tegenover stond het prachtige landschap waar de boot doorheen gleed, langs tal van floating villages, die uniek zijn voor de streek, waar mensen leven en sterven op het water. Het water meandert tijdloos door het vlakke Cambodjaanse noord-westen.
Battambang is één van de weinige plaatsen in Cambodja waar de bamboetrein, a.k.a norry, nog op de rails staat. Maar niet voor lang, want er wordt duchtig gespeculeerd over een versnelde aanleg van een nieuw spoorwegnetwerk. De laatste norry verdwijnt wellicht eind dit jaar. Het concept is eigenlijk enorm eenvoudig: een bamboeplatform van 2x1,5 meter –soms ietsjes groter- dat op twee wielassen rust (afkomstig van tanks) die los op de sporen liggen, wordt aangedreven door een kleine 16pk benzinemotor. De treintjes waren in de jaren ’80, op het einde van de burgeroorlog, dé oplossing als lokaal transport, om ondermeer groenten en fruit uit de dorpjes naar de markten te krijgen. Helaas, in de nostalgische zin, zijn de treintjes heden ten dage niet meer dan een publiekstrekker. Tenminste als je ze vindt. De wegen worden beter en dus is het overbodig om tegen 20 kilometer per uur over schots en scheve sporen te hobbelen. Vanaf het centrum van de stad, fietsten we langs het verlaten station en zijn overgroeide sporen en blijven het water volgen het vertrekpunt tegemoet. We moesten het enkele keren vragen, maar geraakten er dan toch dankzij de hulp van twee 10-jarigen die ons over enkele zandweggetjes escorteerden. Ook plezant om weten is dat het slechts een enkelspoor is voor twee richtingen. De flexibiliteit wordt bewezen door de treintjes in no-time te ontmantelen, het zwaarst beladen exemplaar voorrang te geven en de rit weer verder te zetten. Bij ons gebeurde dit twee maal gedurende het traject. Een geweldig plezante ervaring!
Ten noorden van de stad wandelden we door de poort naar de oude Pepsi-fabriek. In de zestiger jaren was dit het antwoord op de monopoliepositie van Coca Cola in Thailand om ook de buurlanden te kunnen bevoorraden. Tijdens het bewind van de Khmer Rouge werden de bottelactiviteiten aan banden gelegd en betekende dit het einde van de fabriek. We proberen een glimp op te vangen van de binnenkant en zien de houten kratten frisdrank die er sinds jaar en dag onaangeroerd opgestapeld staan. Een dikke laag stof als dekmantel. Doch helemaal verlaten is het gebouw niet, enkele gezinnen hebben het gekraakt. Naar ’t schijnt zou er wat verderop achterin ook een krokodillenkwekerij zijn, al hebben we na een tijdje onze zoektocht moeten staken door een gebrek aan bewijs…
Phnom Penh kwam op ons over als een andere wereld. De hoofdstad is aan een enorme opmars bezig en dat merk je. Drukte alom. Ook meer en meer expats vinden hun stek in de schaduw van het koninklijk paleis en de Zilveren Pagode, nabij de samenvloeiing van de Tonlé Sap en de Mekong.
Reden nummer één voor een tussenstop was om ons een beter idee te kunnen vormen van wat de Khmer Rouge, onder leiding van Saloth Sa (gekend als Pol Pot) in de jaren ’70 heeft kapot gemaakt, strevend naar een onafhankelijk communistisch Kampuchea.
The Killing Fields in Choeung Ek, op een 15 tal kilometer van de stad, is zo’n plaats die je met je neus op de feiten drukt. Tot nu toe zijn er plusminus 17000 schedels geteld, al vermoed men dat het aantal veel hoger zal liggen eenmaal het hele domein wordt blootgelegd. Het is één van de vele massagraven van het land… Tussen 1975 en 1979 werden gevangenen meermaals per maand vanaf de Tuol Sleng-gevangenis in vrachtwagens gedeporteerd om hier te worden afgemaakt. In de eerste plaats was het iedereen die zich tegen het regime keerde, iedereen die door de Khmer Rouge als potentieel gevaarlijk werd beschouwd. Het bleef er echter niet bij. Om kogels te sparen werden kinderen en ouderen tegen bomen geslingerd of door geweren dodelijk geraakt achteraan het hoofd. Het is de stilte die ons een smak in het gezicht geeft als we het bord zien staan naast een boom (zie ook foto in “Cambodja 2”).
“Magic tree… the tree was used as
a tool to hang a loudspeaker which
make sound louder to avoid the moan
of victims while they were being executed”
We zagen stukken stof en beenderen liggen die in de loop der jaren door de regen uit de ingezakte massagraven aan de oppervlakte komen. Opgestapelde schedels liggen torenhoog in de dertien jaar oude boeddhistische stupa, gerangschikt volgens geslacht…
Het bezoek aan Tuol Sleng was enerzijds een erg ontnuchterende ervaring, toch anderzijds bracht het verheldering en gaf ons meer inzichten omtrent de wreedheid van het regime. Tuol Sleng, ofwel het beruchte Security Prison 21 (S-21), was een door de Khmer Rouge opgeëist schoolgebouw dat getransformeerd werd in een gevangenis annex martelkamer. Het complex bestaat uit een aantal losstaande gebouwen van drie etages met prikkeldraad, die de gevangenen de mogelijkheid ontnam om zelfmoord te plegen. Binnenin hangen vele zwart-wit portretten van de slachtoffers die er gemiddeld twee maanden vastgehouden werden. Het zijn opnamen vlak voor of na foltering of zelfs na marteling met fatale afloop. Schilder Vann Nath, zelf een tijdlang vastgehouden door verzonnen aanklachten, portretteerde Pol Pot meermaals en zette ook de waanzin van Tuol Sleng op doek. De waanzin uit zijn herinneringen. Het zijn die schilderijen en de fysische overblijfselen die je als bezoeker een beeld geven van de gruweldaden die halverwege de seventies in Phnom Penh hebben plaats gevonden.
Wanneer we boven in één van de gebouwen een oude documentaire bekeken begon het in een paar seconden enorm hard te waaien en te regenen in combinatie met een stevig onweer. De houten luiken sloegen tegen de muur. Vlak voordat we binnen gingen scheen de zon en was het rond de 38graden (de warmte van een doordeweekse dag, zeg maar). Bij 't buiten komen was het hele gevangeniscomplex gehuld in 't grijs, het zag er somber uit. Het was even een vreemde gewaarwording vanachter de prikkeldraad in de gangen van "gebouw C"..
De hoofdstad lieten we achter ons en bereikten na enkele uren op de bus het gemoedelijke stadje Kampot. Sinds enkele weken zat er terug reliëf in het landschap. Groene heuvels komen achter de rijstvelden tevoorschijn en zo ver als je kan zien torenen de palmbomen (suikerpalm) uit boven het land. Kriskras en kaarsrecht. De laatste weken ondervinden we een nieuwe tendens: we blijven telkens enkele dagen op dezelfde plek. Mogelijk zoeken we op één of andere manier onbewust toch naar dat tikkeltje stabiliteit dat door lang reizen resoluut wordt weggenomen.
De dagen in Kampot hebben we onderbroken voor een trip naar Bokor Hill Station. ‘t Was zwaar de moeite! De klim naar de top legden we af door een mix van een tocht door het dichtbegroeide woud en een rit achterop een open vrachtwagen. Helemaal boven was het de dichte mist die het vergezicht elimineerde. De omgeving werd compleet verblind. We staan aan de rand van een diepe kloof en staren in het ijle; we kunnen nauwelijks enkele meters ver zien. Het einde van de wereld leek gewoon hier te zijn!
De Fransen bouwden tijdens hun bewind –reken ruwweg 100 jaar terug in de tijd – een nederzetting op Bokor Hill, het hoogste punt van het Bokor National Park. Onder meer werd er een katholiek kerkje opgetrokken, een postkantoor en een groot hotel, het Grand Palace Hotel-Casino, dat dateert uit 1925. Tegenwoordig verkeert alles in een staat van (zwaar) verval. Mistige dagen geven het een mysterieuze toets, zeker wanneer plots het oude hotel uit het niets opdoemt. De gebouwen verkennen –en eigenlijk de toegang tot het park en général - was enkel mogelijk doordat de lokale autoriteiten in een huisje aan ’t begin van ’t park onder tafel wat geld toegestopt kregen. We vermoeden dat dit ook geldt voor de gewapende ranger op sletsen, die de tijgers voor ons op een afstand hield (zullen we maar geloven…).
Behoorlijk triest is het feit dat Cambodja op grote schaal verbouwd wordt. Russen en Chinezen investeren massaal in megalomane projecten waar luxehotels centraal staan. Voor de nouveaux riches uit Phnom Penh en anderen met een barstende beurs. Door het gebrek aan milieuactivisten en algemeen protest tegen de plannen voor het Bokor Nationale Park, zal binnen dit en enkele jaren in totaal een goeie 140km² natuur (van de 1500 ofzo) worden afgegeven aan het megaproject van Sok Kong (bron: Lonely Planet, ook is het bevestigd door de gids waarmee we in het park konden). Kong, de grote man achter de Sokimex-tankstations, heeft een leasecontract afgesloten met de overheid. Goed voor 99 jaar!! Onder meer worden verschillende van de oude gebouwen van Bokor Hill Station afgebroken, alleen het Grand Palace Hotel zou gerenoveerd worden (wanneer wij er waren lagen de stellingen voor de deur). Onderweg naar de top, op een splinternieuwe, brede asfaltweg naar 1080 meter, zagen we vanop de vrachtwagen de tentenkampen van de wegenwerkers staan. Ook het oude kerkje was bewoond. Voor de locals schept het perspectieven in die zin dat er voor velen tijdelijk rijst op de plank komt. Maar of het allemaal een goede zaak is voor het nationale park is maar de vraag. Helemaal boven kan het overigens behoorlijk fris zijn. Wij vragen ons ook af wat überhaupt het nut is van rijke Cambodjanen en buitenlandse uit-op-luxe-toeristen naar een gebied te krijgen waar mist en regen de dagelijkse norm is…
Tijdens onze reis verder zuidwaarts, ontdekten we dat men nog veel meer van plan is of recent gerealiseerd heeft. Er liggen plannen op tafel voor de constructie van nieuwe hotels en golfterreinen aan de kust en op verschillende van de kleine eilandjes nabij Sihanoukville. Bij één ervan wordt as we speak een brug gebouwd (bijna klaar), zodat binnenkort een verbinding met het vasteland werkelijkheid is. Eén hotel springt er tussenuit: het Sokha-hotel, goed voor vijf sterren, waarvoor een budget van 1 miljard USD uitgetrokken is (!). Stranden worden hoe langer hoe meer privaat domein. Een blitse brochure informeert lezers over de geplande uitbreiding van de haven. De staat schijnt alleen geïnteresseerd te zijn in de financiële kant van de zaak.
Dit soort projecten bewijst gewoon dat je van een overheid immers alle licenties kan bekomen als er maar geld op tafel komt. Véél geld. Het maakt ons kwaad, al begrijpen we half waarom dit kan in een land als Cambodja…
Zoals gezegd zijn we in Sihanoukville. Eindelijk zien en voelen we terug de oceaan sinds maanden. We vreesden eerlijk gezegd het ergste, in het bijzonder omdat dit kustplaatsje op de vierde plaats komt in de toeristische top tien. Het moet gezegd, het is hier heerlijk, ondanks de ontelbare aanbiedingen van ‘manicure op locatie’, armbandverkopertjes, vers fruit en gekookte krabben als tussendoortje, wiet en transport (u raadt het al, per tuk tuk!). Het zeewater is alleszins genieten! Na een dag of vier aan eenzelfde strand verhuizen we een kleine 10 kilometer, komen ongewild terecht in een Spartaans kamertje in de rosse buurt (overigens initiatief “van het westen”) en gaan na een fantastische dag op een boot terug naar ons oorspronkelijk hotel. Terug naar start, zeg maar. We genieten nog na van de eilanden met hun inheemse flora en paradijselijke witte zandstranden…
De mensen zijn enorm vriendelijk, het eten (en de mango shakes!) is heerlijk, het bier kost tijdens de happy hours amper 50 (dollar-) cent, de pooltafels meteen aan het strand zijn niet te tellen. De bedden zijn zacht en de temperatuur van het zeewater ligt tegen de 30 graden Celsius. Wat wil een mens nog meer? Floating on the waves of freedom…