donderdag 30 juni 2011

24 Goodmorning Cambodia!

Sabaidiee/Soeë-sèdeeï, gegroet beste lezer!


Afgelopen week, op dag nummer vijfentwintig van juni, hebben onze paspoorten er weer een paar stempels bij gekregen. We zijn in Cambodja, na een memorabele rit! Vanaf de Four Thousand Islands bracht een houten bootje ons naar het vasteland, vanwaar we na anderhalf uur het dorpsleven geobserveerd te hebben voor het eerst aan boord gingen van een zogenaamde V.I.P.-bus. Wat een luxe! Tussen de bagage lagen ook meer dan twintig zware zakken groenten en enkele brommers, geadresseerd aan één van de dorpjes in de provincie Stung Treng, noord-Cambodia.

Aangekomen bij de grens was de vraag “hoe geraakt die grote bus hier weg?” stukken interessanter dan de formaliteiten. We verklaren ons nader: sinds jaren – zo verraadt het hoge gras- staan er aan de Cambodjaanse kant een aantal fonkelnieuwe gebouwen, die op termijn de overdekte containers zullen vervangen. Tot op heden dus nog niet in gebruik genomen. Laos wil niet achterop blijven en sprong een tijdje geleden mee op de bouwkar, wat resulteert in een flinke werf. De grens oversteken kan enkel via modderige grindpaadjes die om de werf heen gaan. Op zich geen probleem, ware het niet dat er vlak voor ons een bus tot aan het chassis in de modder steekt. Met man & macht (inclusief vrachtwagen) probeert men de bus uit het slijk te halen, maar tevergeefs, zo lijkt. Laurie en ik waren de enige passagiers die nog op de bus zaten en aanschouwden de helse manoeuvres van onze uiterst ervaren chauffeur. Zo snel als hij kon stuurde de man de bus door het slijk. Door de voorruit zien we mannen roepen en met hun armen zwieren. We made it!
"Respect" zei ik (J), met de vuist nabij het hart, tot groot jolijt van de chauffeur die met een toonbare glimlach stevig uitademt en opgelucht is dat de rit kan worden verder gezet. De weg door de groene lowlands van Cambodja ging vanaf daar probleemloos verder tot aan onze eerste stop, na een paar uur: Kratie, een stadje aan de oevers van de ‘almachtige’ Mekong.

Laos was een genot om door te reizen (los afgezien van de lange, oncomfortabele ritten in lokale bussen en andere vervoersmiddelen met hun onregelmatig vertrekschema, maar goed, zoiets weet je als je naar hier komt). Heerlijk lieve en goedlachse mensen, eenvoudig, niet zo pittig eten (als in Thailand) en best mooie landschappen; zeker in het noorden en centrale deel van de zogenaamde ‘boom van Azië’. Tot de hoogtepunten blijven we de kleine dorpjes rekenen, waar kinderen en volwassenen baden in een kuip of in de rivier, waar boeren met behulp van waterbuffels de rijstterrassen bewerken, dieren op en langs de wegen zitten en het leven zijn rustige gangetje gaat. Dan ervaar je pas echt hoe groot het contrast is tussen ‘onze’ werelden. En toch blijft de tijd hier niet stilstaan, zo bewijst onder meer de immense hoeveelheid zendmasten die de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond zijn gerezen en de fonkelnieuwe Toyota pick-ups die door de straten rijden.

Via het obligatoire bezoek aan de hoofdstad Vientiane, besluiten we terug naar de natuur te gaan. Een tocht door de grotten van Konglor werd weer een nieuw hoogtepunt. Ja, het was de urenlange rit, essentieel om er te geraken, meer dan waard. Chef mechaniek besluit de hemelsluizen wagenwijd open te zetten wanneer we aankomen in het dorpje Ban Kong Lo, zodat we zeiknat onze intrek nemen in de Eco Lodge. Die avond deden we niet veel meer dan wachten tot het ochtend werd…
Maar dan, de tocht zelf: wanneer we door het bos bij de bootsmannen aankomen, horen we dat er nog iemand interesse heeft om een boot te delen. Ik (J) loop de uit rotsen uitgekapte trappen naar beneden tot aan het begin van de grot en maak kennis met een Canadees. Ideaal! Gedrieën stapten we in het bootje (verwant met de kano-achtigen). Het water slingert zich een weg van zeven kilometer door de grotten,soms tot 100 meter breed, langs stalagmieten, langs hoge zuilen. Meestal is het zo goed als pikzwart. Aan de andere kant van de grot houden we halt in een dorpje (nuja, enkele hutten), die dezer dagen nog altijd alleen via de grotten te bereiken zijn (!).
Eenmaal terug in Ban Kong Lo kwam ons het nieuws ter ore dat er die dag nog één vertrek gepland stond. Op de ene voorwaarde dat er genoeg mensen gevonden werden voor de rit. Dit gebeurde gelukkig. In allerijl pakten we de rugzakken in en verorberden nog een flinke portie rijst zodat we klaar waren om uren op de baan te zijn. De jonge bestuurder van de songthaew vertrok een uur later dan voorzien en reed zo traag als hij kon (lees: 20 km/u ofzo). Althans, zo leek het. De wazige blik in zijn ogen ontkende nuchterheid. Als passagiers maakten we mekaar wijs dat het “pure concentratie” was en hoopten op een ongevalvrije tocht door de heuvels, terug naar de splitsing.
De man besloot halverwege het beloofde traject het voor gezien te houden en dropte ons aan de lokale bus die zich net aan de kant van de weg parkeerde om een stuk of vijf scooters op het dak te laden. Het werd donker...

Dagen verstreken en zo kwam ook het einde van onze reis door Laos stilaan in het vizier. In Pakse, de grootste stad van de zuidelijkste provincie van het land, vestigden we ons voor enkele dagen. Van daar uit maakten we onder meer een 2daagse trip met een semi-manueel 110cc brommertje over en langs het Bolaven Plateau. Vooral doordat het Plateau grote bekendheid heeft verworven omwille van de vele koffie- en theeplantages, leek het ons niet meer dan normaal ook eens de lokale roast te degusteren. Een Nederlander met een boontje voor koffie, die al enkele jaren in Paksong woont, liet ons proeven van een kopje Luwak, één van de duurste soorten op aarde. Een specialleke! Onder baristas is deze ‘soort’ welgekend, maar de kans is groot dat een doorsnee liefhebber van een bakkie troost, als wij, er nog nooit van had gehoord. Wat de koffie zo bijzonder maakt is enerzijds de schaarste en anderzijds het arbeidsintensieve proces dat aan de eigenlijke zjat vooraf gaat. De bessen (bv. van Arabica of Robusta-planten) worden door een civet (wezelachtige) opgegeten, maar doordat de maag van het diertje de bonen waar een vliesje ronde zit zelf niet kan verteren, eindigen de bonen op de grond. En dat ziet er ongeveer zo uit


Een espresso-zjatteke kostte ons 25,000 kip (iets meer dan 2euro, wat hier best duur is), terwijl een tas in een prijzig restaurant in Europa al gauw 50euro kan kosten! Waanzin toch?
Na de koffiestop reden we verder. Het was grijs buiten en een regenjas bijhebben was geen overbodige luxe. Die nacht sliepen we in het dorpje Tad Lo, bekend voor zijn watervallen.

Vanuit Pakse bezochten we ook de tempelsite Wat Phu, nabij Champasak. Een brommertje huren was weer ideaal! Eenmaal we de Mekong overgestoken waren [in Pakse enorm breed! De foto’s op de blog van dezelfde rivier in het noorden van ‘t land zijn allesbehalve indrukwekkend. Met een beetje verbeelding zou het de Kleine Nete kunnen zijn!], sloegen we linksaf op een spiksplinternieuwe asfaltweg. Op het eerste zicht was het ietwat surrealistisch: een haast verlaten baan, langs verschillende kanten omringd door begroeide rotsen, met enkele watervallen, waarvan de toppen in de wolken zaten. Hier en daar waren er hutjes en honden, koeien & pluimvee sliep op en liep over straat. Boeren ploegen de geaggregeerde rijstvelden, met dichtbegroeide heuvels op de achtergrond. We probeerden ook verschillende onverharde weggeskes uit die er door de regen gevaarlijk glad bij lagen.
Hoogtepunten waren zowel de architectuur (Ankor-periode!) als prachtige panorama dat je hebt vanaf de Upper Level. Raar maar waar waren er tijdens ons bezoek maar een 15tal andere toeristen die voor Wat Phu kwamen. Dit zou je misschien niet direct verwachten van een tempelcomplex dat de ‘erfgoedbescherming’ geniet?! Het deed ons alleszins plezier dat men sinds enkele jaren terug actief met de wederopbouw bezig is. Gedetailleerde computersimulaties tonen de plannen voor de onderste van de gebouwen, terwijl foto’s de evolutie bewijzen van de afgelopen jaren. We zien ook de internationale ploeg aan het werk die met het ‘stenen puzzelwerk’ langzaamaan de oude glorie herstelt.

Eindigen doen we dit blogbericht in Si Phan Don in het absolute zuiden van Laos, beter gekend als de Four Thousand Islands. De Mekong is hier op ’n breedst, op sommige stukken mogelijk tot 14 kilometer, met daartussen massa’s verschillende eilanden (zeker buiten het regenseizoen). Enkel de grootste ervan zijn bewoond. We blijven enkele dagen op verschillende van de eilanden en verkennen het landschap, de restanten van de oude spoorlijn die de Fransen er ooit aanlegden en de brede cascades per fiets. Zon, regen en onweer wisselen mekaar af.
Laurie's aantrekkingskracht op de buurtkatten is weer niet te stuiten (het kan ook omgekeerd zijn, enfin), zodanig dat er weer ettelijke poezen op haar schoot belanden. Weemoedig halen we herinneringen op van ‘de Zappa’, die nog niet zo heel lang geleden op 23jarige gestorven. Goeie herinneringen.

Als ultieme afsluiter nog een fijne anekdote over een “gekregen paard”: tijdens één van stops, die de lange busritten moeten breken, zien we dat een monnik naast ons benaderd wordt door een klein meisje. Ze houdt een zakje vast met twee gekoelde blikjes frisdrank. Vlak voor de monnik knielt het meisje, houdt haar handen op ooghoogte, zonder de man ook maar aan te kijken. Hoopvol overhandigt ze ‘het geschenk’. De monnik had dorst en aanvaard één van de blikjes. Een blik van ontgoocheling. Kort nadat het meisje weggegaan is, gaat de man met het blikje terug naar het drankstalletje -vanwaar het blikje uit de koelbox komt- en ruilt het droogweg voor iets anders. Een gekregen paard is in de bek gekeken en niet goed bevonden…


PS: bij het schrijven van dit bericht bevinden we ons in Siem Reap, op een steenworp van het achtste wereldwonder: de tempels van Ankor Wat.

zaterdag 11 juni 2011

23 Ieren op de Mekong

“Experience is not what happens to you; it's what you do with what happens to you” [Aldous Huxley]


Het heuvelige noorden van Thailand zien we voor het grootste deel vanuit de ramen van lokale bussen. De ene al wat jonger dan de andere, schommelend zo tussen middelbare leeftijd en hoogbejaard. Uren en uren hobbelend door dorpjes, over rivieren, langs groene velden en platgebrande stukken land. Bergen als muren van het decor. Onderweg stappen oude vrouwtjes op en af, soms met zakjes paddenstoelen in de hand. Ook jongeren die druk-in-de-weer de grenzen van hun brokjes technologie aftasten reizen stukken mee, net als enkele militairen en monniken. Sereen gekleed in okerkleurige gewaden. Hier en daar worden grote dozen of zakken afgeleverd.
Bij het naderen van een tempel maakt de buschauffeur claxonerend-gewijs de praktiserende Boeddhistische medemens, waaronder alle meereizende monniken, hierop attent. Op het bankje vlak voor ons vouwt een man beide handen samen en brengt deze tot aan zijn voorhoofd.

Aangekomen bij de grens, zet de tuktuk-bestuurder ons af aan de oevers van de Mekong, slagader van Azië. Ooit was deze rivier, met een (geschatte) lengte van om en bij de 4500 kilometer, een belangrijke handelsroute. Dezer dagen gaat het meeste transport van goederen over land –toch zeker voor de grensstreek Thailand-Laos-Cambodja, onder meer te danken aan een verbeterd wegennetwerk. Het zijn hoofdzakelijk inwoners van de kleine dorpjes aan de oevers die de Mekong nu nog gebruiken als ‘openbare weg’.
We wandelen het straatje naar beneden richting grenspost en stoppen voor een statig grijs gebouw. “Lijkt erop dat we hier moeten zijn om onze paspoorten af te stempelen”, zeiden we tegen mekaar, terwijl we onze rugzakken neer zwierden. Een gehurkte man wist het beter en wijst naar het kleine, blauwe gebouwtje ernaast. We worden Thailand ‘uitgestempeld’ en even later steken we in één van de smalle houten bootjes het water over. Niemandsland. We zetten voet op bodem van Lao People's Democratic Republic, ofwel Laos en een pijltje met daarop ‘check in’ wijst ons de weg naar het kantoortje waar we onze ‘visa on arrival’ aanvragen. Nadat we even later onze intrek hebben genomen in Friendship Guesthouse, ietwat verderop in de hoofdstraat van Huay Xai, gaan we opzoek naar de eerste portie Laotiaanse noedels & rijst…

Van hieruit kunnen we de volgende twee dagen stroomafwaarts mee met de slowboat naar Luang Prabang. “Mmmm, slowboat… genieten….” horen we u al denken, luidop dromend van de romantische kant van reizen.
Wel, de realiteit is een tikkeltje anders. De bende Ieren die op het laatste nippertje, amper een paar minuten voor vertrek, aan de boot arriveert draagt liters Beer Lao met zich mee. De bootsmannen duwen vanop het dak met lange bamboestokken het land van ons weg. We zijn vertrokken…
De komende uren werd er door de laatkomers duchtig gepokerd, gedronken, muziek gespeeld en, hoe meer de reis vorderde, onzin uitgekraamd, gezongen en werden er flessen omgestoten. Zo nu en dan legde de boot even aan in een dorpje om mensen of goederen af te zetten.
Verwelkomd door een prachtige dubbele regenboog, stopt de boot voor de nacht in Pakbeng. Laurie en ik negeren de kinderen en volwassenen die enthousiast, bordjes vasthoudend, vertellen over de troeven van de slaapplaats die ze in de aanbieding hebben. We stappen door en vinden kort nadien een mooie kamer met eigen badkamer voor 35,000 kip (zo’n 3euro). ’s Avonds komen we te weten dat er vijf jaar geleden in dit dorpje amper een paar slaapplaatsen waren voor mensen op doortocht. Nog steeds worden er bijgebouwd. Wat gaat dit binnen enkele jaren geven?

De volgende ochtend kabbelt de boot verder oostwaarts over de karamelkleurige Mekong. De boot zelf was kleiner en de stoelen harder. Met het gelijke aantal passagiers, belandde een deel ervan op de houten vloer. De Ieren waren maar stil. Een stevige kater misschien? Van de tweede dag op de slowboat genoten we met volle teugen. Heerlijk rustig was het. Uit de jungle tsjilpten krekels, we hoorden vogels. Op de oever grazen waterbuffels terwijl wat verderop vissers hun netten spannen. Kinderen spelen in de rivier. We spotten zelfs een olifant aan de waterkant.


Sinds de stad halverwege de jaren ’90 op de UNESCO-werelderfgoedlijst staat, rijdt er geen zwaar verkeer door de binnenstad. Dit is onmiddellijk iets dat opvalt. Luang Prabang schommelt tussen een groot uitgevallen dorp en waardige stad. Door de ligging direct aan de Mekong en de grote toets groen, heeft het iets van beide. Het voelt toch zo aan zeker als je enkel in het oude stadsdeel blijft. Eenmaal boven op Mt. Phou Si, wordt de omvang pas helemaal duidelijk. Gebouwen bestaan grotendeels uit hout. Sommigen zijn prachtig afgewerkt en zouden niet uit de toon vallen als chambre d’hôte in een dorpje in zuid-Frankrijk.

Eén van de mooiste dingen die we gezien hebben tijdens de dagen in Luang Prabang was de Tak Bat. Monniken maken elke ochtend vanaf hun tempels op blote voeten een ronde door de stad waarbij mensen geknield ondermeer een handvol kleverige rijst in hun bedelnap leggen (zie foto’s voor impressies). Het is een stille meditatieve ceremonie waarbij de monniken uiting geven aan hun gelofte van armoede & nederigheid. Het geven van aalmoezen bestaat al sinds mensenheugenis en het was dan ook meer dan de moeite om hiervoor om 5uur op te staan! (ja, heel af en toe lukt ook ons dit :) ). Aansluitend snuisterden we op de ochtendmarkt en ontdekken waaruit het dieet van een Laotiaan zoal bestaat: kikkers & hagedissen [schaalmodellen van de exemplaren op het eiland Komodo], jonge meervallen (catfish), een versgevangen spartelende rog, groenten & fruit in alle kleuren, ontelbare rijst- en noedelvarianten, kleurrijke specerijen, soepen en zoveel meer.
En ja, tot onze grote vreugde –en met dank aan de Fransen- kan je op bijna elke straathoek baguettes (met La Vache Qui Rit!) en croissants kopen. Niet zo knapperig vers als ze zouden moeten zijn, maar na al die maanden zonder hoort ge ons niet klagen!

“Thanks to the French for leaving coffee and bread behind in Laos and Vietnam. It's a bit of a shame they never colonized Thailand as well” [bron: LP’s Thorn Tree-forum]


Net buiten de stad, na een halfuur van het betere offroad-werk, bereikten we Elephant Village, in het dorpje Ban Xieng Lom. Ooit heette Laos “The Land of a Million Elephants” (Lane Xang), maar tegenwoordig blijven er volgens een ruwe schatting nog maar een 1600tal dieren over, waarvan er nog steeds een goeie 500 bij de houtkap wordt ingezet. Alternatief voor de traktor anno 2011. Met het project, koopt Elephant Village olifanten op van de lokale boeren om ze een betere thuis te geven. In een prachtige junglesetting kunnen toeristen een ritje maken op de rug van de olifant, zodat de olifanten als het ware hun eigen boterham verdienen. Wanneer hun dagtaak erop zit brengen de mahouts (trainer van de olifant) hen naar hun plekje in de jungle waar ze dan in alle rust en vrijheid de rest van de dag en nacht doorbrengen. Ook kan je een volledig dag doorbrengen in Elephant Village en mag je ’s namiddags de olifanten baden in de rivier voor ze naar hun slaapplaats keren.
Wij waren eerst zeer sceptisch over dit project en dachten dit het zoveelste olifantenpark was waar je een ritje kan maken in een stoeltje op de rug van de olifant, maar niets is minder waar. We leerden ook de basic commando’s die de mahouts gebruiken om de olifant te ‘besturen’, en mochten dit zelf in de praktijk omzetten. Het was echt een fantastische ervaring waarbij we ook letterlijk in de nek van de olifant zaten en met eigen ogen konden zien wat een mooi project dit is, met niet alleen oog voor het welzijn van de olifanten, maar waar ook de lokale bevolking nauw bij betrokken wordt. Meer info vind je hier


Luang Prabang verlieten we met een lichte tristesse. Met pijn in het hart, maar we moesten voort. Voor de rit die zou komen, opteerden we voor een minibusje. Een overtuigend element was drie uur minder lang onderweg zijn voor dezelfde prijs als een ‘echte’ bus. We dachten dat minibusjes ook een kleiner potentieel hebben dat er iets fout kan lopen.

“The buses of Laos probably won’t be what you’re used to, so what should you expect? It will almost certainly take longer than the advertised time. The ride itself depends on how lucky you are on the given day” (Lonely Planet’s Guide to Laos, 2010)

‘Lucky’ waren we alleszins, want een tweetal uur (en 1 stop) nadat het volle busje de stad heeft verlaten, horen we een verdacht geluid. De chauffeur zet zich aan de kant en opent de motorkap. De motor is oververhit en het water stoomt. “10 minutes” zegt hij, en zet het op een lopen met twee lege flessen naar wat we hopen een dorpje vlakbij is. Wij denken nog “oh, als het dat maar is…” .
4 stops en ettelijke liters water later geeft onze chauffeur het op en maakt duidelijk dat zijn minibusje niet naar Vang Vieng zal rijden. “Sorry my friend, bus 1 hour” zegt hij, waarop wij allemaal een diepe zucht slagen. Nog een uur wachten in de blakke zon… Ons chauffeurtje anticipeert meteen op ons gekreun en houdt het eerste het beste voertuig tegen, in dit geval een kleine pickup. Na even onderhandelen (vermoedelijk over betaling) mogen we allemaal (8 pers.) in de laadbak.

Het grote discomfort van de zachte zwartlederen zetels en airco (zeker in warme landen) ruilen we in voor een uiterst aangename, doch spartaanse rit tussen onze grote rugzakken, zware dozen & kilo's ananassen (onderweg nog meegeholpen een deel van de vracht uit te laden). Zeker wanneer we door de laaghangende regenwolken zo rond 30km/u verder hobbelden, was het helemaal feest. De allerlaatste etappe overbrugden we met een săwngthăew, een overdekte pickup met twee over elkaar staande banken. Wat een rit! Qua landschappen absoluut magnifiek! De mist en regen voegde er nog iets extra aan toe, noem het gerust ‘mystiek’. En ook de vele vreemde blikken die locals onzer richting werpen zijn werkelijk goud waard! Voor de twee meereizende Maleisische vrienden leek het in ieder geval het avontuur van hun leven te zijn. Eind goed, al goed. Met een lichte vertraging (3uurtjes) komen we aan in Vang Vieng...


PS: beste lezer, door een aanhoudende writersblock zou dit bericht nooit tot stand zijn gekomen zonder de hulp van Laurie. Dikke merci via deze weg :)

Ook onze 'kodak' is, zoals altijd eigenlijk, de laatste weken weer flink benut. Ziehier het resultaat