EDIT 2: een nieuw album "THAILAND 4" toegevoegd [10 september]
EDIT: nog 6 foto's van het eiland Langkawi toegevoegd [5 september]
de eerste foto's die we in Georgetown (Penang-eiland, Maleisië) gemaakt hebben staan in het eerste album op de fotopagina :) [Georgetown, 31 augustus]
De foto's van Kuala Lumpur vind je hier
woensdag 31 augustus 2011
zondag 14 augustus 2011
26 Groeten uit Myanmar!
========================================================================
EDIT 2: de foto's, inclusief 15 nieuwe, staan in het album "Myanmar" op de fotopagina [Yangon, 19 augustus]
EDIT: eindelijk is het ervan gekomen om 1. internet te vinden en 2. via heel wat omwegen op onze blog te raken. Er is dus een nieuw bericht! Myanmar heeft een censuurbeleid en laat ons -zelfs niet via omwegen- toe foto's op onze blog te zetten. Onze foto's staan op onze Flickr-pagina .Van zodra we ze hier rechtstreeks kunnen posten, vind je een nieuw album "Myanmar" op de foto-pagina :)[zondag 14 augustus, Mandalay]
========================================================================
Beste lezer,
We zijn weer een paar weken verder sinds het vorige verslag –de tijd vliegt!- en geven u bij deze graag een idee van wat we in tussentijd zoal hebben beleefd. Net als de nieuwe foto’s, volgen hier enkele impressies:
Een drietal weken geleden, staken we de grens over en ruilen Cambodja in voor Thailand. Er veranderde daarmee weer het één en ’t ander: onze smaakpapillen kregen terug een hoge dosis rode pepers te verduren, het Monopolygeld dat US Dollars zijn ruilen we in voor Baht en qua infrastructuur gaat het er weer een beetje op vooruit. Er is beduidend meer economische activiteit met tal van olieraffinaderijen en grote industriële zones die onderweg in het oog springen. Huizen zien er meer solide uit in vergelijking met die aan Cambodjaanse zijde. We blijven enkele (luie) dagen op het eiland Koh Chang en reizen daarna met één tussenstop door naar de hoofdstad. Net buiten Sri Racha, een niet zo interessante stad in een niet zo interessant deel van het land, springen we op het ene derdeklasse treintje dat dagelijks naar Bangkok spoort. Ook al duurt het langer, het was een zalig gevoel om niet in een bus te zitten. Geen geschater van passagiers die ‘goed gaan’ op de -voor ons- geweldig flauwe humoristische feuilletons of Chinese actiefilms. Geen karaoke! Alleen het repetitieve “kèdeng” van de wielen over de spaties tussen de sporen en het geratel van de ventilators aan het plafond. Vrouwtjes lopen af en aan met schotels vol gefrituurde snacks en water. Monotoon verkoopsgeroep vult de wagons. Heel smakelijk ziet het er allemaal niet uit, maar bij nadere inspectie zijn de “Thaise trein-satékes” best goed bevonden.
Uren later rijden we aan een slakkentempo door de buitenwijken de stad binnen en zien een andere kant van de sinds kort nummer één der meest geliefde hoofdsteden ter wereld, de metropool die bij reizigers vaak enkel als een soort walhalla in hun geheugen gegrift staat. Vlak naast de spoorweg staan huisjes, hutjes eerder, waar jong en oud zich wast met het water dat voorhanden is. De stad blaast zijn smog de wagons binnen… Uitgeteld komen we aan in het ‘centrale’ station Hualamphong, terug waar we elf weken geleden vertrokken zijn. Het was fijn om weer in een omgeving te zijn die bekend is en waar we onze weg kennen. Zeker na maanden reizen doet het deugd om doelgericht richting bestemming te kunnen gaan.
In Bangkok blijven we uiteindelijk een week. Topprioriteit zijn terrasjes, de jacht op splinternieuwe en ongekreukte Amerikaanse Dollars (genoeg om drie weken van te leven) en twee bezoeken aan de ambassade voor onze visa voor Myanmar.
Woensdag 3 augustus, Yangon:
het regent pijpenstelen als we met onze paspoorten in de hand in de aankomsthal staan van de luchthaven. Het is al donker. Een gedeelde taxirit brengt ons tot in het centrum van de stad. Onze rugzakken liggen in de koffer van een oud Toyota’tje, die niet meer dicht gaat.
’s Anderendaags versterkt een gevoel van even terug in de tijd te gaan onze eerste indruk van Myanmar. Wat meteen opvalt zijn de vele auto’s uit de seventies die door de straten rijden, net als de overvolle aftandse jaren ’50 Hino-bussen en Dodge-vrachtwagens. Roestkleurige spuwvlekken van de oppeppende betelnoot liggen als plassen bloed op straat. Vrouwen hebben, zo lijkt het althans, een dunne laag klei op de wangen [thanakha], een natuurlijk schoonheidsproduct dat ze gebruiken om zich tegen de zon te beschermen. Voor het eerst zien we ook dat praktisch alle mannen rokken [longhyi] dragen.
Tijdens de paar dagen dat we Yangon verkennen en de bedrijvigheid van zijn zes miljoen inwoners in ons opnemen, zijn er drie plaatsen die ons het meest zullen blijven. Twee ervan zijn Theinghyi Zei en de markt van Bogyoke Aung San, ook gekend als Scott Market, waar binnenin de oude gebouwen en in de straten rondom het aanbod kleurrijke specerijen, groenten en fruit alle aandacht opeist. Stoffen liggen in alle mogelijke tinten opgestapeld in en voor hoge houten kasten en naast plastic emmers, borstels en speelgoed uit China, is ook de keuze in juwelen van zilver of edelstenen of zelfs hier en daar wat antieke stukken groot (al dan niet replica’s). De markten, zeker de tweede, zijn tevens ook de places to be voor reizigers om aan een schappelijke wisselkoers kraaknette dollars in te ruilen voor dikke bundels Kyat. Zich een weg banen door de markten is een gegarandeerde explosie van prikkels die de hersenen op het eind van de dag omzetten in een gevoel van “moe maar voldaan”. Een streling voor het oog is het zeker! Voor de neus soms iets minder.
Een andere plaats die zeker en vast indruk gemaakt heeft is de gouden Shwedagon pagode [hier heet het zedi of stupa], de belangrijkste van de stad. Kort nadat je als bezoeker op blote voeten de overdekte trappen bestijgt en de Scherpenheuvel-achtige taferelen, waar langs weerszijden allerlei religieusgetinte koopwaar de passanten opwacht negeert, wordt je overweldigd. De immense hoeveelheid pracht en praal is de eerste seconden niet te overzien, wat resulteert in ieders sprakeloosheid. We wandelen rond het complex en ontdekken al gauw dat er veel meer te zien is dan de grote pagode alleen: kleinere tempels en zedi’s rondom Shwedagon Paya, paviljoenen en Boeddha-beelden in diverse formaten. Een geestig detail misschien: de Boeddha’s worden dikwijls “verlicht” door rood en blauwe LED-lampjes die in een mandalavorm achter het hoofd flikkeren.
Naast het (blad)goud –een bedrag om U tegen te zeggen- is er ook een massa robijnen, smaragd en diamant toegevoegd tot deze ‘schitterende’ Shwedagon Paya.
Opvallend is ook de grote aanwezigheid van boeddhistische monniken op straat. Van mannen wordt er verwacht dat ze zeker twee maal in hun leven als devoot monnik in het klooster wonen. Tussen hun 10e en 20e levensjaar als aspirant, zeg maar[samanera] en één keer ergens na hun 20ste als volleerde monnik [hpongyi]. Voor vrouwen ligt het anders, ze kunnen –voor zover we weten- non worden, al is de verwachting kleiner dan bij mannen (eerlijkheidshalve moeten we bekennen dat ’t ons ook niet helemaal duidelijk is hoe de vork aan de steel zit). Tijdens hun tijd in het klooster zijn ze compleet afhankelijk van de donaties van de samenleving, verkregen door dagelijkse aalmoezen, en mogen enkel een scheermes, een tas, filter om insecten uit het drinkwater te halen, een paraplu en een bedelnap bezitten. De meeste monniken vermijden ons om een gift (meestal in de vorm van ongekookte rijst of wat geld) te vragen, toch zijn er sommigen die het wel durven en vlak voor ons komen staan en zwijgend met de ogen op hun bedelnap wijzen. Elke man wordt overigens gezien als potentiële nieuwe Boeddha. Dat verlicht wellicht ook de pijn van het vooruitzicht om een jaar ofzo in ‘t klooster te vertoeven…
Myanmar (of ‘Birma’) blijft toch zijn mysterieuze bijklank behouden, hoewel het dezer dagen best toegankelijk is voor buitenstaanders. Althans, toch zeker bijvoorbeeld in vergelijking met Himalaya-staat Bhutan. Je kan er individueel reizen, al zijn er heel wat beperkingen. Er zijn een heel aantal gebieden die helemaal zijn afgesloten of die alleen bereikbaar zijn met een gids, chauffeur en een rits permits. Wij beperken ons in deze drie weken dan ook tot het “reguliere circuit”.
Daaronder valt uiteraard de tempelvlakte van Bagan, zowat het enige dat we voor vertrek wisten van het land en dat dan ook een must do werd. Bagan, Bagan, almachtig Bagan. Tempels die dateren van 800 na Chr. tot ruwweg ergens uit de 14e eeuw. Men schat dat er nog zo’n 4000 exemplaren de tand des tijds hebben doorstaan. Wanneer we om 4u30 met de nachtbus van Yangon in Nyaung U arriveerden, hadden we geen flauw idee van de omvang en nauwelijks van wat ons te wachten stond. Op het laatst reden we zelfs vlakbij enkele van de tempels, maar omdat het donker was, kon het landschap nog geen tipje van de sluier lichten. Met paard en kar vonden we na wat zoeken (naar een vroege vogel/nachtraaf) een geschikt onderkomen voor de rest van de nacht. Wanneer de zon al hoog aan de hemel stond en de hitte stilaan zijn dagelijkse hoogtepunt bereikt had, sprongen we voor de tweede keer mee op de kar (letterlijk). We waren uitgerust en klaar om de belangrijkste tempels en pagodes van Old Bagan te ontdekken.
De eerste keer bovenop een pagode zullen we niet snel vergeten. Wat een magnifiek uitzicht! Overal, tot aan de horizon, staan witte maar vooral okerkleurige of bruine tempels. Kriskras verdeeld over de vlakte. De eerste dag verkenden we de centraal gelegen tempels, gevolgd door een dag ‘rust’ (o.a. een uitgebreid bezoek aan de markt van het dorp en vanop het dak van de guest house het dorpsleven observeren). De twee resterende dagen vulden we met een fietstocht over verharde banen en smalle zandpaddekes van de vlakte, opzoek naar de meer afgelegen tempelgebouwen. De streek rond Bagan wordt tot de droogste van het land gerekend en dat merk je. Zand waait op en de temperaturen in de namiddag zijn loeiheet. Omdat je, ongeacht het een ruïne is, je schoenen moet uitdoen bij het betreden van de tempels (of de grond rondom), is het vaak een kwestie van te maken dat je in een mum van tijd ergens in de schaduw staat. Of toch met beide voeten. Dat bakstenen niet voor niks “BAK-stenen” heten, kunnen we nu wel bevestigen!
Op de laatste dag stoppen we voor een eetpauze in een klein dorpje onderweg. Zittend op de houten bank, horen we het geroep van kinderen, die in het schooltje aan de overkant van het zandweggetje enthousiast de tafels van vermenigvuldiging (denken we) oefenen. Op het erf zien we de vader van de familie aan het werk. Hij is ambachtelijk wielenmaker voor ossenkarren voor alle dorpjes in de omtrek. De dochters maken naast lekker eten, kleurrijke stoffen van katoen. Veel meer dan wat hutjes van hout, bamboe en gedroogde palmbladeren, cactussen en wat restanten van een groep tempelruïnes (in de velden, net buiten de oude muur) is er niet. Het leven gaat er z’n rustige gangetje. Het roept herinneringen aan Bokrijk op. Mens en dier zoekt de schaduw op en spaart alle inspanningen voor later die dag.
We zijn nog altijd zwaar onder de indruk van al hetgeen we in Bagan gezien hebben en durven zelfs te stellen dat het allemaal nog een stap verder gaat dan de machtige tempels rond Angkor Wat. ’t Is niet niks dat te stellen, al heeft wellicht ook te maken met het overzicht dat je hebt als je na wat zoeken in een hoekje dat ene smalle gangetje vindt, op de tast naar boven klautert en staart naar de horizon. Een ander verschil is dat de meeste toeristen (nog altijd heel relatief in Bagan of zelfs Myanmar) enkel de tijd heeft om het centrale deel bezoeken. Eenmaal verder weg waren we vaak de enigen in de wijde omgeving. We denken terug aan de tempels van Angkor en kunnen het ons moeilijk inbeelden…
De aantrekkingskracht van treinreizen op ons is gigantisch, dus konden we de kans niet laten liggen om een stukje van de 2900 mijl aan 'ijzeren weg', een idee van de Britten indertijd, te verkennen. Het traject Bagan-Mandalay was memorabel! De slechtste spoorwegervaring totnogtoe is absoluut zeker Myanmar!
Het was nog halfdonker wanneer we gepakt en gezakt ons kamertje achter ons lieten. Mooi op tijd kwamen we met een compacte oldtimer pick-up aan bij het station. Er was nog ruimschoots de tijd voor een ontbijt van lichtpikante rijst en een gekookt eitje op het perron tussen de uiterst nieuwsgierige locals. Zes uur was het.
Door omstandigheden vertrok de trein, voorzien voor 7uur, uiteindelijk pas om kwart voor negen..
"You don't need a disco in Myanmar. Just listen to techno and sit on a train – it'll do the dancing for you" [Myanmar local, uit Lonely Planet, editie 10, 2009]
Met momenten was het niet moeilijk in te beelden hoe het voelt om in een storm op zee te zitten. De trein verlaat het station, Laurie en ik kijken elkaar lachend aan en ik zeg: “zen welle hie op nen boot gestapt jom?” De wagons slingerden van links naar rechts en als ze dat niet deden, schommelden we krachtig op en neer. Met wie we de blikken kruisten, wisselden we een glimlach uit en concentreerden ons op één ding: op onze stoel blijven zitten en wachten tot er weer een 'stabiel' stuk aankwam.
De treinbilzen liggen verre van vast op de grond, met vaak een behoorlijke spatie. Geen wonder dat een rit met een trein met tien wagons ofzo hier stevige zeemansbenen vereist! Acht uur later en vele curieuze (lees: overdreven) starende blikken later komen we eindelijk uitgehobbeld aan in Mandalay....
Een dag achterop een kleine blauwe Mazda pick-up (bouwjaar 1960), gaf ons een globaal beeld van de omgeving van de tweede grootste stad van het land. Er zijn nog sporen van oude steden, zoals Sagain en Inwa, die ooit vol leven zaten en tot de belangrijkste behoorden van het toenmalige koninkrijk. We zagen die dag de zonsondergang van op het water en keken naar de mensen die over de tweehonderd jaar oude teakbrug (U Bein, 1.2km) liepen en stilaan silhouetten werden op het meer. De ultieme afsluiter, net voor we terug de stad inreden, was een ceremonie waar we toevallig op stuiten in de gouden Mahamuni Paya. Oude naoorlogse ‘Chevy’-bussen zonder ramen (die mits een lek olie nu en dan mogelijk hun honderdste verjaardag zullen vieren), pikken de laatste passagiers op. De drukte maakt stilaan plaats voor de nacht…
Als afsluiter enkele feiten over Myanmar’s zijn recente verleden. In een notendop een paar markante gebeurtenissen van de afgelopen jaren:
- Nobelprijs voor de vrede-winnares Aung San Suu Kyi vroeg in 1991 het land te boycotten, hetzij op economisch vlak, hetzij op het vlak van toerisme. Sinds toen is ze de meeste tijd onder huisarrest geplaatst. Begin dit jaar is ze voor de zoveelste keer terug vrij. Het wordt afwachten wat haar prodemocratische standpunten ten aanzien van het regime zullen zijn…
- 2005: Yangon is niet langer de hoofdstad. Junta-leider Than Shwe beslist dat Nay Pyi Taw (“Royal Capital”) de nieuwe hoofdstad is, zowat halverwege tussen Yangon en Mandalay. Het zou om strategische redenen zijn om een invasie op het geografisch kwetsbare Yangon te voorkomen. Deze 'zet' kostte -zoals u het zich zeker zult kunnen voorstellen- de staat een gigantische greep uit de schatkist, geld dat nuttiger besteed kan worden in een land als Myanmar. Wereldwijd wordt dit fel bekritiseerd, maar buiten een internationaal handelsembargo (met als hoofdreden: schending van de mensenrechten) kan er weinig tegenin gebracht worden.
- 2007: monniken staan aan de basis van de grootschalige protesten tegen de plotse drastige stijging van de brandstofprijzen. Hoewel Myanmar van alle landen in zuidoost-Azie de grootste brandstofreserves zou hebben, verdubbelde toch de benzineprijs en werden de prijzen van aardgas maar liefst vervijfvoudigd. Waanzin! Dit had –en heeft tot op heden- een enorme invloed op het dagelijkse leven van de Birmanen. Er werd ABMA [All Burma Monks Alliance] opgericht. Voor het eerst keerden monniken zich luidop in het openbaar tegen het militaire regime en spraken van een "evil military dictatorship". Een echte reden voor de stijgende prijzen is er officieel nooit gegeven. Misschien was de nieuwe hoofdstad toch wat te duur?
- 2008: in de naloop van de straatprotesten, enkele dagen voor het eerste referendum sinds 20 jaar, treft cycloon Nargis de Ayeyarwady Delta. De schade is immens. Naar het officiële dodenaantal blijft het gissen, maar een veelgenoemd cijfer is 140,000 dat wordt geplakt op de doortocht van de zware cycloon. De overheid accepteert pas na een maand (!) buitenlandse hulp [ter vergelijking: 9 dagen na Nargis treft een hevige aardbeving Sichuan, China. De overheid handelde meteen en bracht al na anderhalf uur buitenlandse hulp op gang]. Het referendum (i.v.m. wijziging van de grondwet) ging door volgens schema...
We blijven het alleszins geweldig boeiend vinden en kijken reikhalzend uit naar de dagen die komen!
EDIT 2: de foto's, inclusief 15 nieuwe, staan in het album "Myanmar" op de fotopagina [Yangon, 19 augustus]
EDIT: eindelijk is het ervan gekomen om 1. internet te vinden en 2. via heel wat omwegen op onze blog te raken. Er is dus een nieuw bericht! Myanmar heeft een censuurbeleid en laat ons -zelfs niet via omwegen- toe foto's op onze blog te zetten. Onze foto's staan op onze Flickr-pagina .Van zodra we ze hier rechtstreeks kunnen posten, vind je een nieuw album "Myanmar" op de foto-pagina :)[zondag 14 augustus, Mandalay]
========================================================================
Beste lezer,
We zijn weer een paar weken verder sinds het vorige verslag –de tijd vliegt!- en geven u bij deze graag een idee van wat we in tussentijd zoal hebben beleefd. Net als de nieuwe foto’s, volgen hier enkele impressies:
Een drietal weken geleden, staken we de grens over en ruilen Cambodja in voor Thailand. Er veranderde daarmee weer het één en ’t ander: onze smaakpapillen kregen terug een hoge dosis rode pepers te verduren, het Monopolygeld dat US Dollars zijn ruilen we in voor Baht en qua infrastructuur gaat het er weer een beetje op vooruit. Er is beduidend meer economische activiteit met tal van olieraffinaderijen en grote industriële zones die onderweg in het oog springen. Huizen zien er meer solide uit in vergelijking met die aan Cambodjaanse zijde. We blijven enkele (luie) dagen op het eiland Koh Chang en reizen daarna met één tussenstop door naar de hoofdstad. Net buiten Sri Racha, een niet zo interessante stad in een niet zo interessant deel van het land, springen we op het ene derdeklasse treintje dat dagelijks naar Bangkok spoort. Ook al duurt het langer, het was een zalig gevoel om niet in een bus te zitten. Geen geschater van passagiers die ‘goed gaan’ op de -voor ons- geweldig flauwe humoristische feuilletons of Chinese actiefilms. Geen karaoke! Alleen het repetitieve “kèdeng” van de wielen over de spaties tussen de sporen en het geratel van de ventilators aan het plafond. Vrouwtjes lopen af en aan met schotels vol gefrituurde snacks en water. Monotoon verkoopsgeroep vult de wagons. Heel smakelijk ziet het er allemaal niet uit, maar bij nadere inspectie zijn de “Thaise trein-satékes” best goed bevonden.
Uren later rijden we aan een slakkentempo door de buitenwijken de stad binnen en zien een andere kant van de sinds kort nummer één der meest geliefde hoofdsteden ter wereld, de metropool die bij reizigers vaak enkel als een soort walhalla in hun geheugen gegrift staat. Vlak naast de spoorweg staan huisjes, hutjes eerder, waar jong en oud zich wast met het water dat voorhanden is. De stad blaast zijn smog de wagons binnen… Uitgeteld komen we aan in het ‘centrale’ station Hualamphong, terug waar we elf weken geleden vertrokken zijn. Het was fijn om weer in een omgeving te zijn die bekend is en waar we onze weg kennen. Zeker na maanden reizen doet het deugd om doelgericht richting bestemming te kunnen gaan.
In Bangkok blijven we uiteindelijk een week. Topprioriteit zijn terrasjes, de jacht op splinternieuwe en ongekreukte Amerikaanse Dollars (genoeg om drie weken van te leven) en twee bezoeken aan de ambassade voor onze visa voor Myanmar.
Woensdag 3 augustus, Yangon:
het regent pijpenstelen als we met onze paspoorten in de hand in de aankomsthal staan van de luchthaven. Het is al donker. Een gedeelde taxirit brengt ons tot in het centrum van de stad. Onze rugzakken liggen in de koffer van een oud Toyota’tje, die niet meer dicht gaat.
’s Anderendaags versterkt een gevoel van even terug in de tijd te gaan onze eerste indruk van Myanmar. Wat meteen opvalt zijn de vele auto’s uit de seventies die door de straten rijden, net als de overvolle aftandse jaren ’50 Hino-bussen en Dodge-vrachtwagens. Roestkleurige spuwvlekken van de oppeppende betelnoot liggen als plassen bloed op straat. Vrouwen hebben, zo lijkt het althans, een dunne laag klei op de wangen [thanakha], een natuurlijk schoonheidsproduct dat ze gebruiken om zich tegen de zon te beschermen. Voor het eerst zien we ook dat praktisch alle mannen rokken [longhyi] dragen.
Tijdens de paar dagen dat we Yangon verkennen en de bedrijvigheid van zijn zes miljoen inwoners in ons opnemen, zijn er drie plaatsen die ons het meest zullen blijven. Twee ervan zijn Theinghyi Zei en de markt van Bogyoke Aung San, ook gekend als Scott Market, waar binnenin de oude gebouwen en in de straten rondom het aanbod kleurrijke specerijen, groenten en fruit alle aandacht opeist. Stoffen liggen in alle mogelijke tinten opgestapeld in en voor hoge houten kasten en naast plastic emmers, borstels en speelgoed uit China, is ook de keuze in juwelen van zilver of edelstenen of zelfs hier en daar wat antieke stukken groot (al dan niet replica’s). De markten, zeker de tweede, zijn tevens ook de places to be voor reizigers om aan een schappelijke wisselkoers kraaknette dollars in te ruilen voor dikke bundels Kyat. Zich een weg banen door de markten is een gegarandeerde explosie van prikkels die de hersenen op het eind van de dag omzetten in een gevoel van “moe maar voldaan”. Een streling voor het oog is het zeker! Voor de neus soms iets minder.
Een andere plaats die zeker en vast indruk gemaakt heeft is de gouden Shwedagon pagode [hier heet het zedi of stupa], de belangrijkste van de stad. Kort nadat je als bezoeker op blote voeten de overdekte trappen bestijgt en de Scherpenheuvel-achtige taferelen, waar langs weerszijden allerlei religieusgetinte koopwaar de passanten opwacht negeert, wordt je overweldigd. De immense hoeveelheid pracht en praal is de eerste seconden niet te overzien, wat resulteert in ieders sprakeloosheid. We wandelen rond het complex en ontdekken al gauw dat er veel meer te zien is dan de grote pagode alleen: kleinere tempels en zedi’s rondom Shwedagon Paya, paviljoenen en Boeddha-beelden in diverse formaten. Een geestig detail misschien: de Boeddha’s worden dikwijls “verlicht” door rood en blauwe LED-lampjes die in een mandalavorm achter het hoofd flikkeren.
Naast het (blad)goud –een bedrag om U tegen te zeggen- is er ook een massa robijnen, smaragd en diamant toegevoegd tot deze ‘schitterende’ Shwedagon Paya.
Opvallend is ook de grote aanwezigheid van boeddhistische monniken op straat. Van mannen wordt er verwacht dat ze zeker twee maal in hun leven als devoot monnik in het klooster wonen. Tussen hun 10e en 20e levensjaar als aspirant, zeg maar[samanera] en één keer ergens na hun 20ste als volleerde monnik [hpongyi]. Voor vrouwen ligt het anders, ze kunnen –voor zover we weten- non worden, al is de verwachting kleiner dan bij mannen (eerlijkheidshalve moeten we bekennen dat ’t ons ook niet helemaal duidelijk is hoe de vork aan de steel zit). Tijdens hun tijd in het klooster zijn ze compleet afhankelijk van de donaties van de samenleving, verkregen door dagelijkse aalmoezen, en mogen enkel een scheermes, een tas, filter om insecten uit het drinkwater te halen, een paraplu en een bedelnap bezitten. De meeste monniken vermijden ons om een gift (meestal in de vorm van ongekookte rijst of wat geld) te vragen, toch zijn er sommigen die het wel durven en vlak voor ons komen staan en zwijgend met de ogen op hun bedelnap wijzen. Elke man wordt overigens gezien als potentiële nieuwe Boeddha. Dat verlicht wellicht ook de pijn van het vooruitzicht om een jaar ofzo in ‘t klooster te vertoeven…
Myanmar (of ‘Birma’) blijft toch zijn mysterieuze bijklank behouden, hoewel het dezer dagen best toegankelijk is voor buitenstaanders. Althans, toch zeker bijvoorbeeld in vergelijking met Himalaya-staat Bhutan. Je kan er individueel reizen, al zijn er heel wat beperkingen. Er zijn een heel aantal gebieden die helemaal zijn afgesloten of die alleen bereikbaar zijn met een gids, chauffeur en een rits permits. Wij beperken ons in deze drie weken dan ook tot het “reguliere circuit”.
Daaronder valt uiteraard de tempelvlakte van Bagan, zowat het enige dat we voor vertrek wisten van het land en dat dan ook een must do werd. Bagan, Bagan, almachtig Bagan. Tempels die dateren van 800 na Chr. tot ruwweg ergens uit de 14e eeuw. Men schat dat er nog zo’n 4000 exemplaren de tand des tijds hebben doorstaan. Wanneer we om 4u30 met de nachtbus van Yangon in Nyaung U arriveerden, hadden we geen flauw idee van de omvang en nauwelijks van wat ons te wachten stond. Op het laatst reden we zelfs vlakbij enkele van de tempels, maar omdat het donker was, kon het landschap nog geen tipje van de sluier lichten. Met paard en kar vonden we na wat zoeken (naar een vroege vogel/nachtraaf) een geschikt onderkomen voor de rest van de nacht. Wanneer de zon al hoog aan de hemel stond en de hitte stilaan zijn dagelijkse hoogtepunt bereikt had, sprongen we voor de tweede keer mee op de kar (letterlijk). We waren uitgerust en klaar om de belangrijkste tempels en pagodes van Old Bagan te ontdekken.
De eerste keer bovenop een pagode zullen we niet snel vergeten. Wat een magnifiek uitzicht! Overal, tot aan de horizon, staan witte maar vooral okerkleurige of bruine tempels. Kriskras verdeeld over de vlakte. De eerste dag verkenden we de centraal gelegen tempels, gevolgd door een dag ‘rust’ (o.a. een uitgebreid bezoek aan de markt van het dorp en vanop het dak van de guest house het dorpsleven observeren). De twee resterende dagen vulden we met een fietstocht over verharde banen en smalle zandpaddekes van de vlakte, opzoek naar de meer afgelegen tempelgebouwen. De streek rond Bagan wordt tot de droogste van het land gerekend en dat merk je. Zand waait op en de temperaturen in de namiddag zijn loeiheet. Omdat je, ongeacht het een ruïne is, je schoenen moet uitdoen bij het betreden van de tempels (of de grond rondom), is het vaak een kwestie van te maken dat je in een mum van tijd ergens in de schaduw staat. Of toch met beide voeten. Dat bakstenen niet voor niks “BAK-stenen” heten, kunnen we nu wel bevestigen!
Op de laatste dag stoppen we voor een eetpauze in een klein dorpje onderweg. Zittend op de houten bank, horen we het geroep van kinderen, die in het schooltje aan de overkant van het zandweggetje enthousiast de tafels van vermenigvuldiging (denken we) oefenen. Op het erf zien we de vader van de familie aan het werk. Hij is ambachtelijk wielenmaker voor ossenkarren voor alle dorpjes in de omtrek. De dochters maken naast lekker eten, kleurrijke stoffen van katoen. Veel meer dan wat hutjes van hout, bamboe en gedroogde palmbladeren, cactussen en wat restanten van een groep tempelruïnes (in de velden, net buiten de oude muur) is er niet. Het leven gaat er z’n rustige gangetje. Het roept herinneringen aan Bokrijk op. Mens en dier zoekt de schaduw op en spaart alle inspanningen voor later die dag.
We zijn nog altijd zwaar onder de indruk van al hetgeen we in Bagan gezien hebben en durven zelfs te stellen dat het allemaal nog een stap verder gaat dan de machtige tempels rond Angkor Wat. ’t Is niet niks dat te stellen, al heeft wellicht ook te maken met het overzicht dat je hebt als je na wat zoeken in een hoekje dat ene smalle gangetje vindt, op de tast naar boven klautert en staart naar de horizon. Een ander verschil is dat de meeste toeristen (nog altijd heel relatief in Bagan of zelfs Myanmar) enkel de tijd heeft om het centrale deel bezoeken. Eenmaal verder weg waren we vaak de enigen in de wijde omgeving. We denken terug aan de tempels van Angkor en kunnen het ons moeilijk inbeelden…
De aantrekkingskracht van treinreizen op ons is gigantisch, dus konden we de kans niet laten liggen om een stukje van de 2900 mijl aan 'ijzeren weg', een idee van de Britten indertijd, te verkennen. Het traject Bagan-Mandalay was memorabel! De slechtste spoorwegervaring totnogtoe is absoluut zeker Myanmar!
Het was nog halfdonker wanneer we gepakt en gezakt ons kamertje achter ons lieten. Mooi op tijd kwamen we met een compacte oldtimer pick-up aan bij het station. Er was nog ruimschoots de tijd voor een ontbijt van lichtpikante rijst en een gekookt eitje op het perron tussen de uiterst nieuwsgierige locals. Zes uur was het.
Door omstandigheden vertrok de trein, voorzien voor 7uur, uiteindelijk pas om kwart voor negen..
"You don't need a disco in Myanmar. Just listen to techno and sit on a train – it'll do the dancing for you" [Myanmar local, uit Lonely Planet, editie 10, 2009]
Met momenten was het niet moeilijk in te beelden hoe het voelt om in een storm op zee te zitten. De trein verlaat het station, Laurie en ik kijken elkaar lachend aan en ik zeg: “zen welle hie op nen boot gestapt jom?” De wagons slingerden van links naar rechts en als ze dat niet deden, schommelden we krachtig op en neer. Met wie we de blikken kruisten, wisselden we een glimlach uit en concentreerden ons op één ding: op onze stoel blijven zitten en wachten tot er weer een 'stabiel' stuk aankwam.
De treinbilzen liggen verre van vast op de grond, met vaak een behoorlijke spatie. Geen wonder dat een rit met een trein met tien wagons ofzo hier stevige zeemansbenen vereist! Acht uur later en vele curieuze (lees: overdreven) starende blikken later komen we eindelijk uitgehobbeld aan in Mandalay....
Een dag achterop een kleine blauwe Mazda pick-up (bouwjaar 1960), gaf ons een globaal beeld van de omgeving van de tweede grootste stad van het land. Er zijn nog sporen van oude steden, zoals Sagain en Inwa, die ooit vol leven zaten en tot de belangrijkste behoorden van het toenmalige koninkrijk. We zagen die dag de zonsondergang van op het water en keken naar de mensen die over de tweehonderd jaar oude teakbrug (U Bein, 1.2km) liepen en stilaan silhouetten werden op het meer. De ultieme afsluiter, net voor we terug de stad inreden, was een ceremonie waar we toevallig op stuiten in de gouden Mahamuni Paya. Oude naoorlogse ‘Chevy’-bussen zonder ramen (die mits een lek olie nu en dan mogelijk hun honderdste verjaardag zullen vieren), pikken de laatste passagiers op. De drukte maakt stilaan plaats voor de nacht…
Als afsluiter enkele feiten over Myanmar’s zijn recente verleden. In een notendop een paar markante gebeurtenissen van de afgelopen jaren:
- Nobelprijs voor de vrede-winnares Aung San Suu Kyi vroeg in 1991 het land te boycotten, hetzij op economisch vlak, hetzij op het vlak van toerisme. Sinds toen is ze de meeste tijd onder huisarrest geplaatst. Begin dit jaar is ze voor de zoveelste keer terug vrij. Het wordt afwachten wat haar prodemocratische standpunten ten aanzien van het regime zullen zijn…
- 2005: Yangon is niet langer de hoofdstad. Junta-leider Than Shwe beslist dat Nay Pyi Taw (“Royal Capital”) de nieuwe hoofdstad is, zowat halverwege tussen Yangon en Mandalay. Het zou om strategische redenen zijn om een invasie op het geografisch kwetsbare Yangon te voorkomen. Deze 'zet' kostte -zoals u het zich zeker zult kunnen voorstellen- de staat een gigantische greep uit de schatkist, geld dat nuttiger besteed kan worden in een land als Myanmar. Wereldwijd wordt dit fel bekritiseerd, maar buiten een internationaal handelsembargo (met als hoofdreden: schending van de mensenrechten) kan er weinig tegenin gebracht worden.
- 2007: monniken staan aan de basis van de grootschalige protesten tegen de plotse drastige stijging van de brandstofprijzen. Hoewel Myanmar van alle landen in zuidoost-Azie de grootste brandstofreserves zou hebben, verdubbelde toch de benzineprijs en werden de prijzen van aardgas maar liefst vervijfvoudigd. Waanzin! Dit had –en heeft tot op heden- een enorme invloed op het dagelijkse leven van de Birmanen. Er werd ABMA [All Burma Monks Alliance] opgericht. Voor het eerst keerden monniken zich luidop in het openbaar tegen het militaire regime en spraken van een "evil military dictatorship". Een echte reden voor de stijgende prijzen is er officieel nooit gegeven. Misschien was de nieuwe hoofdstad toch wat te duur?
- 2008: in de naloop van de straatprotesten, enkele dagen voor het eerste referendum sinds 20 jaar, treft cycloon Nargis de Ayeyarwady Delta. De schade is immens. Naar het officiële dodenaantal blijft het gissen, maar een veelgenoemd cijfer is 140,000 dat wordt geplakt op de doortocht van de zware cycloon. De overheid accepteert pas na een maand (!) buitenlandse hulp [ter vergelijking: 9 dagen na Nargis treft een hevige aardbeving Sichuan, China. De overheid handelde meteen en bracht al na anderhalf uur buitenlandse hulp op gang]. Het referendum (i.v.m. wijziging van de grondwet) ging door volgens schema...
We blijven het alleszins geweldig boeiend vinden en kijken reikhalzend uit naar de dagen die komen!
Abonneren op:
Posts (Atom)