Nieuw Zeelandse weken tikken weg tijdens het alsmaar verder verkennen van het land. Van The Coromandel reizen we naar Napier, Hawkes Bay. De stad is in 1930 zwaar getroffen door een aardbeving. Voor de wederopbouw gaf het stadsbestuur destijds architecten de opdracht om voor de gebouwen in ’t centrum plannen te tekenen in een zelfde stijl. Anno 2010 is ‘art deco’ nog steeds het sleutelwoord voor de stad Napier. We worden opgewacht door Maureen, wie we afgelopen zomer toevallig leerden kennen op een trouwfeest in Italië. De volgende (kleine) twee weken werden ‘easy going’: flaneren door ’t stad, pompelmoezen plukken in Maureen’s tuin, koffie drinken en testritjes maken met potentiële busjes. De queeste om een busje te fiksen miste zijn start niet! Na vele tientallen online-advertenties aandachtig te hebben doorbladerd, een autoveiling (ons maximumbod voor een prachtige camper werd nipt overboden) en menig telefoongesprek later, zette een buschauffeur ons af in Dannevirke. Voor ons stond een beschilderde Toyota Townace uit 1992. Voor een zacht prijsje. Ik (J) startte de dieselmotor van dit kampeerbusje en reed een rondje door het centrum van het plaatsje, dat ooit gevormd werd door enkele Deense pioniers. Het busje zag er, qua interieur, roest en ook motorisch (voor zover we daar enig oordeel over vellen konden) prima uit. De kilometerstand –niet ver van de kaap van driehonderdduizend - verraadde vervroegd pensioen, toch waren we verkocht!
Eén enkel formulier invullen (in het postkantoor) volstond om het eigenaarschap te wijzigen. Verbaasd waren we te constateren dat een mens maar zo weinig energie dient te steken in de oogst die de bureaucratie gezaaid heeft. Naar een rijbewijs kraait geen haan (over de vorige eigenaars zouden we een apart verslag kunnen schrijven, doch om het kort te houden, denk aan dreadlocks, lange baard, zelf groenten telen, een eigen koe voor melk & kaas, op blote voeten hout halen voor de kachel enz – daarom dus een beschilderd busje : ) )
Via slingerende paddekes voert de weg terug richting Waipukarau en uiteindelijk Napier. Herders leiden kuddes schapen over de weg van de ene wei naar de andere, soms kilometers verder.
Via Peter, doener en zelfstandig schrijnwerker van beroep, kreeg de bus een heuse upgrade: het gammele houtwerk achteraan werd vervangen door degelijke schabben en een uitschuifbare tafel. Nog enkele kleinere aanpassingen waren noodzakelijk voordat we eindelijk verder konden (zoals de fietsen op praktische wijze mee te krijgen).
On the road again, het voelde goed! Rust is deugdzaam, maar roest ook. Het brengt een ongerafelde luiheid in een mens naar boven. Toch, tussen het pompelmoezenplukken door, hebben we de afgelopen dagen plannen gesmeed om een tocht van een paar dagen in het vulkanische Tongariro-gebergte te doen. Het weer bij aankomst zag er veelbelovend uit: helder (haast geen bewolking) en quasi windstil. De toppen vroegen om beklommen te worden!
Helaas moesten we onze plannen wijzigen door de weersprognoses. Vertrek richting eerste hut werd iedereen ten stelligste afgeraden. Bussen, voor de reeds watertandende klimmers bij de gedachte aan de dagtocht over het zadel van de Tongariro, werden voor de eerste dagen van het programma geschrapt. De wind joeg zich tegen 90km/u tegen de bergwand, waardoor zelfs de doorwinterde klimmer moeilijkheden zou ondervinden. Toch hoopten we op beterschap tegen de ochtend en parkeerden ons busje voor de nacht.
Beterschap kwam er niet, integendeel. ’s Anderendaags was het grijs en flink koeler. Wolken hingen dreigend over het hele nationale park. Met onze staart tussen onze benen blazen we noodgedwongen de aftocht. Het had nochtans de moeite geweest. Ook een meerdaagse kanotocht over de Whanganui-river en het circuit over de rug van het Tararua-gebergte (aanvankelijk ons alternatief voor Tongariro) zit er deze keer niet in, gezien de ligging, op een boogscheut hiervandaan. Jammer maar helaas…
Na een omzwerving via Palmerston North (het zoveelste stadje op ons palmares waar geen hol te zien is), waar we hoopten onze visa te verlengen maar wat niet gelukt is omdat de overheidsdiensten blijkbaar veel verlof krijgen in de kerstperiode, belanden we in windy Wellington. Er was ons al verteld dat het in Wellington dikwijls stevig waait vanwege zijn ligging aan Cook Strait, maar wat we hier aantroffen ging onze verbeelding te boven. Wind, zoveel wind dat we dachten dat we met auto en al de lucht in zouden gaan. Een man liep z’n hoed achterna, paraplu’s knapten. Dit buiten beschouwing gelaten is Wellington veruit de aangenaamste stad tot nu toe. Gezellige straatjes met café’s die wonderbovenwonder een pak later open zijn dan de gebruikelijke 17u, een wandelpromenade langs de waterkant die leidt naar het Te Papa museum (een must do voor de hoofdstad!). Twee dagen later zitten we op de ferry naar ‘t zuidereiland. Straalblauwe lucht, appelblauwzeegroen water en het land dat prachtig verlicht boven de oceaan uittorent, vormen het decor van de overtocht. Al dagen kijken we reikhalzend uit om in Picton aan land te gaan.
Vanaf het moment dat de kapitein ons de Marlborough Sounds instuurt (letterlijk), is er een opvallende toestroom van passagiers richting het bovendek, op de 10e verdieping van het schip. Fotografen en liefhebbers van bewegend beeld stellen scherp en drijven hun kennis & kunde tot het uiterste. Geklik in de Sounds. Ons deed dit deel van de overtocht terugdenken aan de reis naar Noorwegen door de Oslo Fjord. Als je goed kijkt kan je hier en daar een huisje met aanlegsteiger zien, aan de voet van de groene, uit het water rijzende wildernis.
Eenmaal aan wal, kiezen we Highway 1 via Blenheim richting Christchurch. De azuurtint van de oceaan blaast ons van onze sokken. Dorre, beige grasvlaktes en groene heuvels wisselen elkaar in sneltempo af. De weg flirt met de spoorlijn, gelegen tussen de zee aan onze linkerkant en het rotsige massief, aan onze rechterkant. Nu en dan steken we een brede rivier over.
Halt houdende om een baai te overschouwen, valt ons oog op een zeehond, die op anderhalve meter van onze voeten in ‘t gras tegen een rots lag. Onze eerste reactie was: “die is zeker dood, een levende zeehond zie je alleen maar in de zoo”. Groot was onze verbazing toen we opkeken en omringd waren door een hele kolonie (20 à 25). De geur had al een belletje moeten doen rinkelen. Niet te harden! Deze dieren stoorden zich helemaal niet aan de menselijke aanwezigheid, meer nog, het was alsof ze poseerden. Niet ver van de rotsen, parkeerden we ons busje voor de nacht.
Nu nog zo snel mogelijk ons visum laten verlengen. Hier is veel te zien!
donderdag 30 december 2010
donderdag 9 december 2010
05 - Waiheke Island & The Coromandel
Na een gesprek met een local die ons afraadde om naar Auckland te fietsen omwille van het drukke verkeer op de Highway One (ja, het kan in NZ!), besluiten we de afstand weer met de bus te overbruggen.
In Auckland downtown verjaagt de chaotische ziel van de stad ons naar Waiheke Island. We kamperen een paar dagen in Rocky Bay, ver weg van alle drukte en ontdekken het eiland met de fiets. Van de rotsen plukken we mosselen, die we ’s avonds aan de kook brengen.
Van Waiheke gingen we naar Half Moon Bay (Howick), Auckland. Geleid door het lot zagen we het gepensioneerde koppel terug dat we een week geleden ontmoeten bij de kaap. Dat we bij hen zouden logeren vonden ze vanzelfsprekend : ) Even later stonden onze fietsen op de aanhangwagen en reden we hun wijk binnen. De man, Graham, kwam wat later thuis van een dag op zee met het avondmaal: een koelbox vol snapper, dé vis van Nieuw Zeeland. Lauren toonde ons de omgeving en vertelde over hoe de stad op korte tijd enorm was uitgebreid. Het proces van vis te roken en hoe ruw kaurihout omgetoverd wordt in schalen en kinderspeelgoed, liet Graham met alle plezier zien. We waren hen enorm dankbaar, mede door alle moeite die ze voor ons deden om een pakket (waarop we al een tijdje aan ’t wachten waren) thuis te krijgen. Dikke merci aan Hans voor de logistiek ;-) Het niet zo boeiende, doch spannende relaas gaan we u, beste lezer, wel besparen wegens te uitgebreid.
Inmiddels zitten we op Coromandel Peninsula (schiereiland), van waar we nauwelijks vorderen. Het is –zoals al eerder aangehaald- hard werken hier een fietstocht te ondernemen. “Tuff going”, zegt men hier. Van Coromandel Town zijn we in twee dagen nauwelijks verder geraakt dan Whitianga en Hot Water Beach (een unieke ervaring door de dunne aardkorst). We mochten onze tent opzetten in een tuin, vlak aan het strand en kregen alles wat een fietser kan verlangen: een warme douche, een avondmaal, thee in combinatie met allerhande verhalen vanuit de zetel en zelfs een ontbijt ’s anderendaags. Dat het die nacht voor ’t eerst stevig regende, namen we graag bij. Onze tent is op en top waterproof bevonden. Een ware opluchting!
Het bleef regenen. En geen miezerig gedruppel, nee, echte echte regen. Het vooruitzicht op de (voor een fietser) gevaarlijke klim die we voor de boeg hadden, ontmoedigde hard. Toch vertrokken we. Een mens kan immers niet eeuwig met z’n voeten in het warme water zitten van Hot Water Beach. Ingepakt in regenkledij waagden we ons op pad…
Na bijna 4 weken ploeteren op het noordeiland worden we ongeduldig. Al bijna een maand onderweg en nog maar zo weinig gezien. We hebben het gevoel dat het allemaal te traag naar ons goesting gaat. We willen weg van het noordeiland, verder naar het zuideiland en zien ons genoodzaakt om een bus te nemen tot Napier (waar we anders nog een week of twee over zouden doen), om daar Maureen te ontmoeten. De kogel is door de kerk: we gaan hier een auto kopen of huren, om zo gewoonweg te kunnen genieten van alle mooie dingen hier, en niet gelijk nen onnozele
de bergen op te rijden, ‘s avonds eten te maken en dan om 21u in slaap te vallen. Dat is plezant voor efkes, maar is niet bevredigend op lange termijn. Plus ook, we zijn geen die-hard fietsreizigers, die elke meter op de route koste wat het kost gefietst moeten hebben. De fietsen maken een belangrijk onderdeel uit van ons materiaal en vormden de basis van deze reis. Toch willen we ons niet forceren omdat we per se alles met de fiets willen doen. We staan op het punt een bocht van 180 graden te maken. Dat we de fietsen mee gaan nemen is evident. Het zal naast rust (mentaal, maar zeker ook fysiek) ook meer mogelijkheden scheppen. Zijwegen naar bezienswaardigheden kunnen we nauwelijks nemen, want vijf kilometer heen is ook vijf kilometer terug.
Wij kunnen dit, maar de vraag is: willen we dit? Willen we op onze reis zo moeten vechten voor elke kilometer? We twijfelen. Alternatieven worden gewikt en gewogen. En hopelijk snel goed bevonden.
We houden jullie op de hoogte!
In Auckland downtown verjaagt de chaotische ziel van de stad ons naar Waiheke Island. We kamperen een paar dagen in Rocky Bay, ver weg van alle drukte en ontdekken het eiland met de fiets. Van de rotsen plukken we mosselen, die we ’s avonds aan de kook brengen.
Van Waiheke gingen we naar Half Moon Bay (Howick), Auckland. Geleid door het lot zagen we het gepensioneerde koppel terug dat we een week geleden ontmoeten bij de kaap. Dat we bij hen zouden logeren vonden ze vanzelfsprekend : ) Even later stonden onze fietsen op de aanhangwagen en reden we hun wijk binnen. De man, Graham, kwam wat later thuis van een dag op zee met het avondmaal: een koelbox vol snapper, dé vis van Nieuw Zeeland. Lauren toonde ons de omgeving en vertelde over hoe de stad op korte tijd enorm was uitgebreid. Het proces van vis te roken en hoe ruw kaurihout omgetoverd wordt in schalen en kinderspeelgoed, liet Graham met alle plezier zien. We waren hen enorm dankbaar, mede door alle moeite die ze voor ons deden om een pakket (waarop we al een tijdje aan ’t wachten waren) thuis te krijgen. Dikke merci aan Hans voor de logistiek ;-) Het niet zo boeiende, doch spannende relaas gaan we u, beste lezer, wel besparen wegens te uitgebreid.
Inmiddels zitten we op Coromandel Peninsula (schiereiland), van waar we nauwelijks vorderen. Het is –zoals al eerder aangehaald- hard werken hier een fietstocht te ondernemen. “Tuff going”, zegt men hier. Van Coromandel Town zijn we in twee dagen nauwelijks verder geraakt dan Whitianga en Hot Water Beach (een unieke ervaring door de dunne aardkorst). We mochten onze tent opzetten in een tuin, vlak aan het strand en kregen alles wat een fietser kan verlangen: een warme douche, een avondmaal, thee in combinatie met allerhande verhalen vanuit de zetel en zelfs een ontbijt ’s anderendaags. Dat het die nacht voor ’t eerst stevig regende, namen we graag bij. Onze tent is op en top waterproof bevonden. Een ware opluchting!
Het bleef regenen. En geen miezerig gedruppel, nee, echte echte regen. Het vooruitzicht op de (voor een fietser) gevaarlijke klim die we voor de boeg hadden, ontmoedigde hard. Toch vertrokken we. Een mens kan immers niet eeuwig met z’n voeten in het warme water zitten van Hot Water Beach. Ingepakt in regenkledij waagden we ons op pad…
Na bijna 4 weken ploeteren op het noordeiland worden we ongeduldig. Al bijna een maand onderweg en nog maar zo weinig gezien. We hebben het gevoel dat het allemaal te traag naar ons goesting gaat. We willen weg van het noordeiland, verder naar het zuideiland en zien ons genoodzaakt om een bus te nemen tot Napier (waar we anders nog een week of twee over zouden doen), om daar Maureen te ontmoeten. De kogel is door de kerk: we gaan hier een auto kopen of huren, om zo gewoonweg te kunnen genieten van alle mooie dingen hier, en niet gelijk nen onnozele
de bergen op te rijden, ‘s avonds eten te maken en dan om 21u in slaap te vallen. Dat is plezant voor efkes, maar is niet bevredigend op lange termijn. Plus ook, we zijn geen die-hard fietsreizigers, die elke meter op de route koste wat het kost gefietst moeten hebben. De fietsen maken een belangrijk onderdeel uit van ons materiaal en vormden de basis van deze reis. Toch willen we ons niet forceren omdat we per se alles met de fiets willen doen. We staan op het punt een bocht van 180 graden te maken. Dat we de fietsen mee gaan nemen is evident. Het zal naast rust (mentaal, maar zeker ook fysiek) ook meer mogelijkheden scheppen. Zijwegen naar bezienswaardigheden kunnen we nauwelijks nemen, want vijf kilometer heen is ook vijf kilometer terug.
Wij kunnen dit, maar de vraag is: willen we dit? Willen we op onze reis zo moeten vechten voor elke kilometer? We twijfelen. Alternatieven worden gewikt en gewogen. En hopelijk snel goed bevonden.
We houden jullie op de hoogte!
04 - Het hoge noorden, 'where the spirits head home’
Allereerst: onze excuses voor de late reactie! Internet is niet altijd beschikbaar, net als energie om bij dageraad nog wat te schrijven. Ziehier, een dubbele portie :)
De Kaurireuzen van Waipoua Forest laten we achter ons. Nog even zetten we onze fietsen aan de kant en trekken het woud in. Heel even staan we stil bij de tweede grootste der kauri’s, Te Matua Ngahere genaamd (‘father of the forest’). Zijn stam is immens: 16 meter in omtrek!
Vanaf dan werd was het weer zwoegen geblazen. De weg doorkruiste slingerend het landschap. Groene heuvels herbergen de vredevol van gras genietende schapen. Eens waren ze nog met 170 miljoen. Dezer dagen schommelt het aantal rond de 4 miljoen, waarmee het vlees ervan nog steeds tot ’s lands belangrijkste exportproducten gerekend mag worden.
De ene moment sjezen we aan 60 km/u naar beneden, de andere zijn we tevreden als we bij 5 km/u nog in ’t zadel zitten. Ploeteren zou je zoiets kunnen noemen.
Vlak voor Omapere komen we na een kilometerslange klim op adem. Het zweet parelt op ons voorhoofd. Lichtjes hijgend aanschouwen we grote zandduinen van het Te Pouari reservaat, die boven het azuurblauwe water rijzen. Dit is het begin van de Hokianga Harbour. De volgende twintig kilometer zou je ‘New Zealand flat’ kunnen noemen. We kunnen nog een keer doorrijden…
In Rawene kunnen we nog op ’t laatste nippertje mee op de ferry. Onderweg maken we kennis met een Brits stel dat al enige tijd het land verkend per Volkswagen camper. We informeren naar de inschrijvingsprocedure voor auto’s. Just in case, zeg maar. Het inschrijven van een nieuwe auto opzich is hier beperkt tot het invullen van slechts één formulier, dat aan in een postkantoor dient worden afgegeven. Smalend denken we terug aan de vijf (!) maand durende periode van bellen en wachten waarin ons VW-busje officieel, met een gelijkvormigheidsattest werd ingevoerd…
De bootsman heeft geen oren naar de 4 dollar die hij van ons ontvangen mag. Als we efkes later op de andere oever nog wat staan te ‘taffelen’ (kaart & ‘Eenzame Planeet’-reisgids aan ‘t bekijken voor overnachtingsmogelijkheden) komt de man vrolijk op ons af en wijst een lodge aan in Kohukohu,op anderhalve kilometer in de andere richting.
Gelegen tussen het mangrovebos, aan de oever van Omanaia River en de bush, ligt Tree House Lodge. Een oase van rust. We gaan de nacht in met op de achtergrond het geblaat van de schapen, het getsjirp van de krekels en de laatste vogelgezangen, die her en der weerklinken uit het bos. Voor de tent kijken we gefascineerd naar de miljoenen sterren boven ons hoofd….
’s Anderendaags staat er weer een stevige klimpartij op ‘t programma. Ietwat na Mangamuka Bridge gaan de wegen (letterlijk) kort door de bocht. En omhoog. Buitenkantbocht rijden gaf af en toe het gevoel bovenop de piste van de wielerzesdaagse van Gent te staan.
Onderweg, wanneer we even op adem komen en op een bankje (voor het enige winkeltje voor lange tijd) ‘een hapke’ eten, komen plots drie jonge gasten te paard aan gegaloppeerd. De drie ruiters gooien met flair touwen rond de houten omheining, waar hun paarden blijven staan. Ze bestellen één fles limonade. De liter werd met smaak geledigd en gedeeld. De jongste van de drie schatten we 8 jaar te zijn. Het beeld van die drie jonge gasten die te paard uit de bush gereden kwamen, maakte echt indruk op ons.
In Kaitaia lieten we de fietsen voor twee dagen aan de kant. Onze knieën spelen ons parten. Hier fietsen is verdomme hard werken. We boekten dan ook een bustrip naar Cape Reinga, het absolute noorden. Tijdens de rit kwamen we wat meer te weten over de geschiedenis van de streek. Toen de dieren nog spraken was Northland één groot woud. De vegetatie veranderde in de loop der eeuwen in ‘wetlands’ of ‘swamplands’. De kauribossen werden verzwolgen door ‘t oprukkende moeras. Dezer dagen is de boomsoort beschermd en mag dus onder geen beding gekapt worden. Wel worden nog de oude stronken (die tienduizenden jaren in de moerasgrond begraven zaten) opgegraven en verwerkt tot allerlei niet-echt-geweldig-noodzakelijke akkefietjes, vooral binnenshuis te gebruiken. De vraag naar ruw en bewerkt kaurihout is vandaag nog nooit zo groot geweest.
De tocht leidt ons naar Ninety Mile Beach. Meermaals loodst de chauffeur de bus door een monding van een rivier. Dit verklaart ’t één en ‘t ander waarom Harisson’s Cape Runner opteert voor een haast gepensioneerde Japanner van eind jaren ’70 (de bus voor de duidelijkheid)! Na een picknick aan een paradijselijke baai bereiken we eindelijk de kaap: Cape Reinga, ‘where the spirits head home’. Voor de Maori’s is de kaap heilige grond.
Vanaf Kaitaia reizen we met de bus naar de Bay of Islands. En dit was achteraf gezien absoluut de beste keuze! Slechts zelden reden we enkele honderden meters op een vlakke weg. Het landschap bleef ook vrij gelijkend… tot in Paihia. In dit uiterst toeristische plaatske nemen we onze intrek in Mousetrap Backpackers, gemütlich gemaakt dankzij tal van vissersattributen (waaronder dikke netten). We strijken neer op ’t strand en doen een toerke door ’t centrum (waar in feite ook weer geen fluit te zien is). We springen ook nog op de ferry (anno 1965!) naar Russel, waar we al snel de schoonheid ervan meer kunnen appreciëren dan aan de andere kant van ’t water. Uren tikken weg door een sprong in de zee (er was bijna geen kat in het baaitje, wat zalig was!), het observeren van vogels –waaronder de Tui en een gezinnetje Californische Kwartels- en een klim naar het hoogste punt daar. We overschouwden de baaien met tal van zeiljachten en de eilanden. De zon scheen, dus azuurblauw water. Ge-nie-ten!
De Kaurireuzen van Waipoua Forest laten we achter ons. Nog even zetten we onze fietsen aan de kant en trekken het woud in. Heel even staan we stil bij de tweede grootste der kauri’s, Te Matua Ngahere genaamd (‘father of the forest’). Zijn stam is immens: 16 meter in omtrek!
Vanaf dan werd was het weer zwoegen geblazen. De weg doorkruiste slingerend het landschap. Groene heuvels herbergen de vredevol van gras genietende schapen. Eens waren ze nog met 170 miljoen. Dezer dagen schommelt het aantal rond de 4 miljoen, waarmee het vlees ervan nog steeds tot ’s lands belangrijkste exportproducten gerekend mag worden.
De ene moment sjezen we aan 60 km/u naar beneden, de andere zijn we tevreden als we bij 5 km/u nog in ’t zadel zitten. Ploeteren zou je zoiets kunnen noemen.
Vlak voor Omapere komen we na een kilometerslange klim op adem. Het zweet parelt op ons voorhoofd. Lichtjes hijgend aanschouwen we grote zandduinen van het Te Pouari reservaat, die boven het azuurblauwe water rijzen. Dit is het begin van de Hokianga Harbour. De volgende twintig kilometer zou je ‘New Zealand flat’ kunnen noemen. We kunnen nog een keer doorrijden…
In Rawene kunnen we nog op ’t laatste nippertje mee op de ferry. Onderweg maken we kennis met een Brits stel dat al enige tijd het land verkend per Volkswagen camper. We informeren naar de inschrijvingsprocedure voor auto’s. Just in case, zeg maar. Het inschrijven van een nieuwe auto opzich is hier beperkt tot het invullen van slechts één formulier, dat aan in een postkantoor dient worden afgegeven. Smalend denken we terug aan de vijf (!) maand durende periode van bellen en wachten waarin ons VW-busje officieel, met een gelijkvormigheidsattest werd ingevoerd…
De bootsman heeft geen oren naar de 4 dollar die hij van ons ontvangen mag. Als we efkes later op de andere oever nog wat staan te ‘taffelen’ (kaart & ‘Eenzame Planeet’-reisgids aan ‘t bekijken voor overnachtingsmogelijkheden) komt de man vrolijk op ons af en wijst een lodge aan in Kohukohu,op anderhalve kilometer in de andere richting.
Gelegen tussen het mangrovebos, aan de oever van Omanaia River en de bush, ligt Tree House Lodge. Een oase van rust. We gaan de nacht in met op de achtergrond het geblaat van de schapen, het getsjirp van de krekels en de laatste vogelgezangen, die her en der weerklinken uit het bos. Voor de tent kijken we gefascineerd naar de miljoenen sterren boven ons hoofd….
’s Anderendaags staat er weer een stevige klimpartij op ‘t programma. Ietwat na Mangamuka Bridge gaan de wegen (letterlijk) kort door de bocht. En omhoog. Buitenkantbocht rijden gaf af en toe het gevoel bovenop de piste van de wielerzesdaagse van Gent te staan.
Onderweg, wanneer we even op adem komen en op een bankje (voor het enige winkeltje voor lange tijd) ‘een hapke’ eten, komen plots drie jonge gasten te paard aan gegaloppeerd. De drie ruiters gooien met flair touwen rond de houten omheining, waar hun paarden blijven staan. Ze bestellen één fles limonade. De liter werd met smaak geledigd en gedeeld. De jongste van de drie schatten we 8 jaar te zijn. Het beeld van die drie jonge gasten die te paard uit de bush gereden kwamen, maakte echt indruk op ons.
In Kaitaia lieten we de fietsen voor twee dagen aan de kant. Onze knieën spelen ons parten. Hier fietsen is verdomme hard werken. We boekten dan ook een bustrip naar Cape Reinga, het absolute noorden. Tijdens de rit kwamen we wat meer te weten over de geschiedenis van de streek. Toen de dieren nog spraken was Northland één groot woud. De vegetatie veranderde in de loop der eeuwen in ‘wetlands’ of ‘swamplands’. De kauribossen werden verzwolgen door ‘t oprukkende moeras. Dezer dagen is de boomsoort beschermd en mag dus onder geen beding gekapt worden. Wel worden nog de oude stronken (die tienduizenden jaren in de moerasgrond begraven zaten) opgegraven en verwerkt tot allerlei niet-echt-geweldig-noodzakelijke akkefietjes, vooral binnenshuis te gebruiken. De vraag naar ruw en bewerkt kaurihout is vandaag nog nooit zo groot geweest.
De tocht leidt ons naar Ninety Mile Beach. Meermaals loodst de chauffeur de bus door een monding van een rivier. Dit verklaart ’t één en ‘t ander waarom Harisson’s Cape Runner opteert voor een haast gepensioneerde Japanner van eind jaren ’70 (de bus voor de duidelijkheid)! Na een picknick aan een paradijselijke baai bereiken we eindelijk de kaap: Cape Reinga, ‘where the spirits head home’. Voor de Maori’s is de kaap heilige grond.
Vanaf Kaitaia reizen we met de bus naar de Bay of Islands. En dit was achteraf gezien absoluut de beste keuze! Slechts zelden reden we enkele honderden meters op een vlakke weg. Het landschap bleef ook vrij gelijkend… tot in Paihia. In dit uiterst toeristische plaatske nemen we onze intrek in Mousetrap Backpackers, gemütlich gemaakt dankzij tal van vissersattributen (waaronder dikke netten). We strijken neer op ’t strand en doen een toerke door ’t centrum (waar in feite ook weer geen fluit te zien is). We springen ook nog op de ferry (anno 1965!) naar Russel, waar we al snel de schoonheid ervan meer kunnen appreciëren dan aan de andere kant van ’t water. Uren tikken weg door een sprong in de zee (er was bijna geen kat in het baaitje, wat zalig was!), het observeren van vogels –waaronder de Tui en een gezinnetje Californische Kwartels- en een klim naar het hoogste punt daar. We overschouwden de baaien met tal van zeiljachten en de eilanden. De zon scheen, dus azuurblauw water. Ge-nie-ten!
vrijdag 26 november 2010
03 - Tane Mahuta, lord of the forest
De dag rust in Dargaville heeft ons deugd gedaan. Het plaatske, dat toch bij de grotere van het noordeiland gerekend mag worden, heeft eigenlijk niet echt veel te bieden. Ook hier hebben we ’t gevoel dat we door noord-Amerika reizen: qua gesproken taal, de vele pickup’s die af en aan rijden, de gemiddelde man of vrouw in de straat die behoorlijk stevig gebouwd is en de vele ‘afhaalmogelijkheden’ voor het avondmaal. Bij de bakker betaal je gewoon met visa. In de supermarkten is ’t een heuse opdracht iets in kleine hoeveelheden te vinden. Fruitsap in 5liter-bussen, strooikaas van 2 kilo of bier dat meestal per 20 flesjes verpakt is. Verleidelijk, dat wel, maar onmogelijk voor tweewielers als ons.
Met een pintje de plaatselijke GB buiten lopen kan ook enkel na een heel proces van controle. Dit gaat als volgt: men neme een blik bier uit het rek (als het al los verpakt is) en men wandele naar de kassa. Daar aangekomen duwt de kassierster op de bel. Even nadien komt er een tweede kassadame die van ons alletwee de identiteitskaart wil zien. Er wordt vanalles genoteerd waarna we kunnen afrekenen. Nu is het enkel een kwestie van goed op te letten dat we niet geklist worden met het bier. Alcohol nuttigen op straat leidt hier tot een serieuze boete. In de liquorshops kraait geen haan naar een legimitatie.
Daar we al heel wat ‘klein mannen’ achter ’t stuur hebben gezien, vermoeden we dat ook hier in NZ de leeftijd om een rijbewijs te verkrijgen op zestien jaar ligt. Zijn we dan toch in The States?
Vanaf Dargaville voert de weg weer geleidelijk over de heuvels van de westkust. Na een kleine 30km lekker bollen staat ons een stijle klim van een kilometer of drie te wachten. Aan het laatste tankstation voor de volgende 40 a 50km wijzen voorbijgangers ons nog eens op de klim die we voor de boeg hebben. Haarspeldbocht-gewijs voert ons pad verder omhoog. Nu en dan stappen we noodgedwongen van de fietsen en duwen. De wielertoerist in hart en nieren die op zondagochtend een vaste stop maakt bij zijn staminee heeft hier niks verloren. (We merken wel dat we hoe langer hoe minder moeten afstappen). Onderweg zijn er geen winkels of pubs meer om ons te bevoorraden. We hebben eten mee voor onderweg en voor 1 avondmaal, wat hopelijk genoeg zal zijn.
Ontbossing is zichtbaar. Geregeld passeert ons dan ook een dubbele oplegger vol boomstammen. Het is klimmen & dalen as usual, parallel met de Tasmaanse zee. We rijden Waipoua Forest binnen. Het laatste stuk voor vandaag is een afdaling van 4km, dwars door het bos. Naar beneden suizen aan 40km/u tussen de bomen, ‘t is puur genieten! In Waipoua Forest bevinden zich de oudste Kauri-bomen van Nieuw Zeeland. ’s Anderdaags ontdekken we hoe gigantisch de Kauri’s zijn. De grootste boom heet Tane Mahuta, ‘lord of the forest’. Deze kanjer heeft tijdens zijn lange leven (meer dan 2000 jaar oud) een immense stam gevormd: 6meter in doorsnee, 18 meter tot aan de eerste vertakkingen. Al blijft een gemiddelde kauriboom minstens even indrukwekkend! Algauw beslissen we dat we hier een wandeling willen maken en we nemen voor twee dagen een eenvoudig hutje op de camping. Plots valt onze dollar dat we maar eten voor 1 avond bij ons hebben, en al helemaal geen ontbijt voor twee ochtenden. Het eerste dorpje met een winkeltje is 20 km verderop. Met de auto rijdt ge daar is efkes naartoe, maar met de fiets dus niet. We vragen aan de concierge van het kampeerterrein of er nog iemand naar de winkel rijdt die avond en voor ons iets kan meebrengen. “No prob mate, my wife is in town now, just come round tonight and tell us what you need!” Timide Belgen die we zijn gaan we ervan uit dat de man in kwestie dit allang vergeten is en blijven in onze cabin zitten, in de overtuiging dat we geen extra dag kunnen blijven en dus de volgende dag alweer moeten vertrekken. Wanneer het al donker is horen we voetstappen naar onze cabin komen, er wordt geklopt. De vrouw van de concierge staat aan de deur. “What do you guys need? We have pretty much everything!” Aarzelend vragen we wat pasta en brood, “maybe some milk?” ’s Morgens staat ze weer voor de deur met een doos gevuld met allerlei lekkers. Het leven kan toch schoon zijn in Nieuw-Zeeland.
De eerste avond komen er en tiental pickup-trucks aangereden. De lokale gemeenschap vergaderde over datgene waar Belgische politici alles van (zouden moeten) weten: de verdeling van bevoegdheden. Men nam beslissingen omtrent wie welk stuk van de bossen mee beheert. Er werd ook uitgemaakt welk gezin de sleutel krijgt voor de (letterlijke) poort naar de zee. Op die manier kan men beter het doen en laten van jager & visser controleren. Het bosbeheer gebeurt in samenwerking met het Department of Conservation, kortweg DoC. Op een boogscheut hier vandaan stroomt Waipoua River. Moest het iets warmer zijn geweest, sprongen we er zo in! ’s Morgens zingen de vogels ons wakker. Deze subtropische omgeving heeft iets exotisch. En we zijn nog niet eens in Azië!
˟ Nieuwe foto’s toegevoegd aan set Northland
Met een pintje de plaatselijke GB buiten lopen kan ook enkel na een heel proces van controle. Dit gaat als volgt: men neme een blik bier uit het rek (als het al los verpakt is) en men wandele naar de kassa. Daar aangekomen duwt de kassierster op de bel. Even nadien komt er een tweede kassadame die van ons alletwee de identiteitskaart wil zien. Er wordt vanalles genoteerd waarna we kunnen afrekenen. Nu is het enkel een kwestie van goed op te letten dat we niet geklist worden met het bier. Alcohol nuttigen op straat leidt hier tot een serieuze boete. In de liquorshops kraait geen haan naar een legimitatie.
Daar we al heel wat ‘klein mannen’ achter ’t stuur hebben gezien, vermoeden we dat ook hier in NZ de leeftijd om een rijbewijs te verkrijgen op zestien jaar ligt. Zijn we dan toch in The States?
Vanaf Dargaville voert de weg weer geleidelijk over de heuvels van de westkust. Na een kleine 30km lekker bollen staat ons een stijle klim van een kilometer of drie te wachten. Aan het laatste tankstation voor de volgende 40 a 50km wijzen voorbijgangers ons nog eens op de klim die we voor de boeg hebben. Haarspeldbocht-gewijs voert ons pad verder omhoog. Nu en dan stappen we noodgedwongen van de fietsen en duwen. De wielertoerist in hart en nieren die op zondagochtend een vaste stop maakt bij zijn staminee heeft hier niks verloren. (We merken wel dat we hoe langer hoe minder moeten afstappen). Onderweg zijn er geen winkels of pubs meer om ons te bevoorraden. We hebben eten mee voor onderweg en voor 1 avondmaal, wat hopelijk genoeg zal zijn.
Ontbossing is zichtbaar. Geregeld passeert ons dan ook een dubbele oplegger vol boomstammen. Het is klimmen & dalen as usual, parallel met de Tasmaanse zee. We rijden Waipoua Forest binnen. Het laatste stuk voor vandaag is een afdaling van 4km, dwars door het bos. Naar beneden suizen aan 40km/u tussen de bomen, ‘t is puur genieten! In Waipoua Forest bevinden zich de oudste Kauri-bomen van Nieuw Zeeland. ’s Anderdaags ontdekken we hoe gigantisch de Kauri’s zijn. De grootste boom heet Tane Mahuta, ‘lord of the forest’. Deze kanjer heeft tijdens zijn lange leven (meer dan 2000 jaar oud) een immense stam gevormd: 6meter in doorsnee, 18 meter tot aan de eerste vertakkingen. Al blijft een gemiddelde kauriboom minstens even indrukwekkend! Algauw beslissen we dat we hier een wandeling willen maken en we nemen voor twee dagen een eenvoudig hutje op de camping. Plots valt onze dollar dat we maar eten voor 1 avond bij ons hebben, en al helemaal geen ontbijt voor twee ochtenden. Het eerste dorpje met een winkeltje is 20 km verderop. Met de auto rijdt ge daar is efkes naartoe, maar met de fiets dus niet. We vragen aan de concierge van het kampeerterrein of er nog iemand naar de winkel rijdt die avond en voor ons iets kan meebrengen. “No prob mate, my wife is in town now, just come round tonight and tell us what you need!” Timide Belgen die we zijn gaan we ervan uit dat de man in kwestie dit allang vergeten is en blijven in onze cabin zitten, in de overtuiging dat we geen extra dag kunnen blijven en dus de volgende dag alweer moeten vertrekken. Wanneer het al donker is horen we voetstappen naar onze cabin komen, er wordt geklopt. De vrouw van de concierge staat aan de deur. “What do you guys need? We have pretty much everything!” Aarzelend vragen we wat pasta en brood, “maybe some milk?” ’s Morgens staat ze weer voor de deur met een doos gevuld met allerlei lekkers. Het leven kan toch schoon zijn in Nieuw-Zeeland.
De eerste avond komen er en tiental pickup-trucks aangereden. De lokale gemeenschap vergaderde over datgene waar Belgische politici alles van (zouden moeten) weten: de verdeling van bevoegdheden. Men nam beslissingen omtrent wie welk stuk van de bossen mee beheert. Er werd ook uitgemaakt welk gezin de sleutel krijgt voor de (letterlijke) poort naar de zee. Op die manier kan men beter het doen en laten van jager & visser controleren. Het bosbeheer gebeurt in samenwerking met het Department of Conservation, kortweg DoC. Op een boogscheut hier vandaan stroomt Waipoua River. Moest het iets warmer zijn geweest, sprongen we er zo in! ’s Morgens zingen de vogels ons wakker. Deze subtropische omgeving heeft iets exotisch. En we zijn nog niet eens in Azië!
˟ Nieuwe foto’s toegevoegd aan set Northland
dinsdag 23 november 2010
02 - Waar heuvels bergen lijken...
Vrijdagochtend 19 november: onze tassen krijgen elk hun plaats toegewezen op de fiets. De avond tevoren checkten we of onze fietsen startensklaar waren. Beide kettingen kregen een grondige beurt en de derailleurs werden voorzien van een druppel teflonolie. Van het stuur, zadel, remmen & shifters (bediening versnellingen) stelden we de juiste positie in. Waar nodig werden de imbusschroefjes aangedraaid. Zo goed als klaar om Auckland te verlaten.
In de keuken van Pentland’s Backpackers vraagt Dean, de heer des huizes, ons op ongeruste toon of we wel degelijk zouden vertrekken. Laurie en ik keken mekaar verbaasd aan. “Euh, waarom niet”, verraadde onze blik. Dean pikte onmiddellijk de draad op van het gesprek gisteren. Buiten, op de trappen, vertelde hij dat alleen deze week al vijf fietsers het leven lieten op hun stalen ros. Twee
ongelukken speelden zich af in Auckland, de andere in de rest van Nieuw Zeeland. Dat er op korte tijd zoveel fietsers dodelijk geraakt werden was nooit gezien. Dean vertelde dat er afgelopen nacht nog een zesde fietser op de weg gestorven was. Hij fluisterde. En vroeg ons nog eens of we daadwerkelijk wilden gaan. “Wacht nog een paar dagen tot na het weekend, er is iets met deze week! Ga de stad in
of huur een camper ofzo en laat alles hier, absoluut geen probleem!”.
Een klein half uurke later verdwenen de eerste kilometers onder onze banden. Dat we allebei zouden vertrekken stond vast. Wat heeft het nu ook voor zin nog “een paar dagen” te wachten? Is het risico op ongevallen dan plots drastisch kleiner?
We rijden voor het eerst links. Serieus wennen! Vooral het afdraaien werd drie keer nadenken vooraleer te doen : ) Vanaf de wijk rond Mount Eden reden we naar het station Kingsland, waar we op de trein naar Waitakere zouden springen, net buiten de suburbs van de grootste stad van Kiwiland.
De eerste fietsdag, van Waitakere tot Kaukapakapa [Kaawkuppakuppa – de “u” zoals in ‘het’ of ‘Jut’ ;-) ), voelden we ’s avonds in de benen. In afstand niet erg groot, doch gezien het glooiende landschap
meer dan genoeg voor een eerste dag op de pedalen. In de plaatselijke bikerskroeg (waar we onderweg voor gewaarschuwd waren) lesten we de dorst en informeerden naar de mogelijkheden om de tent te zetten. Naast het cafe mocht, maar ook bij Bob. Na een telefoontje naar z’n vrouw, Maureen, nam hij ons mee naar z’n erf. We kregen een plekje toegewezen in de tuin. Meer dan prima! Het werd er alleen beter op: we mochten de badkamer gebruiken, konden mee aan tafel (al kookten we wel zelf) en kregen zelfs de toegang tot het internet. Hooray! Bob verdween terug naar de kroeg. Die zagen we weer pas in’t laat.
Vanaf Kaukapakapa reden we in drie dagen naar Dargaville, gelegen aan de westkust. Onderweg sliepen we in een groezelig rende-vu- hotelletje (amper 20 euro voor een kamer) en in een aftandse caravan (die half uiteen hing). Omdat de prijs om onze tent op te zetten gelijk was aan het caravantarief, leek het ons weer eens iets anders.
De wegen zijn al heel de tijd hels voor een fietser. Voeg daar nog een flinke portie ‘wind op kop’ aan toe en je hebt het ultieme recept voor een afgemat gevoel bij aankomst. Geregeld gaat de weg enkele kilometers omhoog, wat maakt dat we aanvankelijk wel met goeie moed aan de klim begonnen, maar uiteindelijk toch noodgedwongen moesten afstappen en duwen. Wanneer het
moreel stillekes aan begint te zakken, zoeken we contact met de witte grazers op de heuvels. We imiteren het geblaat, zodat er zelfs af en toe een schaap antwoord.
Alleen de laatste 30km tot Dargaville waren min of meer “pancake flat” (zoals beschreven in Pedaller’s Paradise), maar omdat –uiteraard!- de wind ons niet gunstig gezind was, reden we gemiddeld 13km/u. Naar ons gevoel heeft M.C. Escher het landschap ontworpen: het gaat steeds omhoog... ook als de weg zichtbaar naar beneden gaat heb je het gevoel nog te moeten stijgen.
In die paar dagen dat we nu op de fiets zitten hebben we toch al enige verandering van de omgeving kunnen constateren. De groene heuvels waarop schapen grazen nemen de bovenhand. Ook subtropische wouden waarin het gezang van tal van vogels weerklinkt, hebben we al gezien. Wie ons iedere keer weer doet verbazen is de Tui. In de tuin van de Pentland’s Backpackers in Auckland maakten we voor ’t eerst kennis met zijn vorm van communiceren. Op z’n minst ‘apart’ te noemen : )
De vogel kent tal van melodietjes waarin ook geklik verwerkt zit. Het geluid is werkelijk geweldig interessant. Kraftwerk, gij hebt volgelingen!
Tot morgen blijven we nog in Dargaville, vanaf dan voert het pad verder noordwaarts in de richting van Waipoua Forest. Er staan nog een aantal “bergskes” op ’t programma. Benieuwd of we ‘goeie benen’ zullen hebben : )
In de keuken van Pentland’s Backpackers vraagt Dean, de heer des huizes, ons op ongeruste toon of we wel degelijk zouden vertrekken. Laurie en ik keken mekaar verbaasd aan. “Euh, waarom niet”, verraadde onze blik. Dean pikte onmiddellijk de draad op van het gesprek gisteren. Buiten, op de trappen, vertelde hij dat alleen deze week al vijf fietsers het leven lieten op hun stalen ros. Twee
ongelukken speelden zich af in Auckland, de andere in de rest van Nieuw Zeeland. Dat er op korte tijd zoveel fietsers dodelijk geraakt werden was nooit gezien. Dean vertelde dat er afgelopen nacht nog een zesde fietser op de weg gestorven was. Hij fluisterde. En vroeg ons nog eens of we daadwerkelijk wilden gaan. “Wacht nog een paar dagen tot na het weekend, er is iets met deze week! Ga de stad in
of huur een camper ofzo en laat alles hier, absoluut geen probleem!”.
Een klein half uurke later verdwenen de eerste kilometers onder onze banden. Dat we allebei zouden vertrekken stond vast. Wat heeft het nu ook voor zin nog “een paar dagen” te wachten? Is het risico op ongevallen dan plots drastisch kleiner?
We rijden voor het eerst links. Serieus wennen! Vooral het afdraaien werd drie keer nadenken vooraleer te doen : ) Vanaf de wijk rond Mount Eden reden we naar het station Kingsland, waar we op de trein naar Waitakere zouden springen, net buiten de suburbs van de grootste stad van Kiwiland.
De eerste fietsdag, van Waitakere tot Kaukapakapa [Kaawkuppakuppa – de “u” zoals in ‘het’ of ‘Jut’ ;-) ), voelden we ’s avonds in de benen. In afstand niet erg groot, doch gezien het glooiende landschap
meer dan genoeg voor een eerste dag op de pedalen. In de plaatselijke bikerskroeg (waar we onderweg voor gewaarschuwd waren) lesten we de dorst en informeerden naar de mogelijkheden om de tent te zetten. Naast het cafe mocht, maar ook bij Bob. Na een telefoontje naar z’n vrouw, Maureen, nam hij ons mee naar z’n erf. We kregen een plekje toegewezen in de tuin. Meer dan prima! Het werd er alleen beter op: we mochten de badkamer gebruiken, konden mee aan tafel (al kookten we wel zelf) en kregen zelfs de toegang tot het internet. Hooray! Bob verdween terug naar de kroeg. Die zagen we weer pas in’t laat.
Vanaf Kaukapakapa reden we in drie dagen naar Dargaville, gelegen aan de westkust. Onderweg sliepen we in een groezelig rende-vu- hotelletje (amper 20 euro voor een kamer) en in een aftandse caravan (die half uiteen hing). Omdat de prijs om onze tent op te zetten gelijk was aan het caravantarief, leek het ons weer eens iets anders.
De wegen zijn al heel de tijd hels voor een fietser. Voeg daar nog een flinke portie ‘wind op kop’ aan toe en je hebt het ultieme recept voor een afgemat gevoel bij aankomst. Geregeld gaat de weg enkele kilometers omhoog, wat maakt dat we aanvankelijk wel met goeie moed aan de klim begonnen, maar uiteindelijk toch noodgedwongen moesten afstappen en duwen. Wanneer het
moreel stillekes aan begint te zakken, zoeken we contact met de witte grazers op de heuvels. We imiteren het geblaat, zodat er zelfs af en toe een schaap antwoord.
Alleen de laatste 30km tot Dargaville waren min of meer “pancake flat” (zoals beschreven in Pedaller’s Paradise), maar omdat –uiteraard!- de wind ons niet gunstig gezind was, reden we gemiddeld 13km/u. Naar ons gevoel heeft M.C. Escher het landschap ontworpen: het gaat steeds omhoog... ook als de weg zichtbaar naar beneden gaat heb je het gevoel nog te moeten stijgen.
In die paar dagen dat we nu op de fiets zitten hebben we toch al enige verandering van de omgeving kunnen constateren. De groene heuvels waarop schapen grazen nemen de bovenhand. Ook subtropische wouden waarin het gezang van tal van vogels weerklinkt, hebben we al gezien. Wie ons iedere keer weer doet verbazen is de Tui. In de tuin van de Pentland’s Backpackers in Auckland maakten we voor ’t eerst kennis met zijn vorm van communiceren. Op z’n minst ‘apart’ te noemen : )
De vogel kent tal van melodietjes waarin ook geklik verwerkt zit. Het geluid is werkelijk geweldig interessant. Kraftwerk, gij hebt volgelingen!
Tot morgen blijven we nog in Dargaville, vanaf dan voert het pad verder noordwaarts in de richting van Waipoua Forest. Er staan nog een aantal “bergskes” op ’t programma. Benieuwd of we ‘goeie benen’ zullen hebben : )
donderdag 18 november 2010
01 - Wanneer vogels als drumcomputers klinken...
Buiten banen regendruppels zich een weg door de nacht. Althans het einde ervan, want weldra komt de zon op. Het regent al enkele dagen non-stop zodat er in België menig rampenplan wordt afgekondigd ten gevolge van het overvloedige gedruppel. Wat zijn we blij om in deze omstandigheden te kunnen vertrekken.
Schiphol’s kerosinegeur zorgde toch voor een lichte stijging van adrenaline in ons lichaam. Het is menens nu. Het inchecken werd een fluitje van een cent. Wanneer onze familie uit het zicht verdwenen was, meldden we ons bij gate G 07. Een weg terug was er niet meer, dat beseften we maar al te goed.
Na een uitstekende vlucht landden we in Singapore, waar het al om half zes ’s morgens 25 graden celcius was. We moesten 16 uur in transit blijven.
We vulden de tijd op de luchthaven o.a. met een bezoek aan de vlindertuin (u leest het goed!). Vanuit een neo-vintage designstoel surfte Laurie op het web en schreef ik de eerste zinnen over onze ervaringen totnogtoe. En dit, met zicht op het tarmac. Toestellen vliegen af en aan. Na wat geslapen te hebben, gingen we als min of meer wakkere mensen aan boord van het vliegtuig naar Auckland, Nieuw Zeeland. Nog 10uur en we zijn er…
Zonder enige douaneperikelen en verloren of beschadigde bagage (de fietsen vormden wel degelijk een risico, wisten we) kwamen we aan de luchthavenshuttle die ons naar de hostel zou brengen.
Hoe weet je dat je ver van huis bent? Wanneer de eerste vogel die je hoort klinkt als een drumcomputer. No kiddin’, guys! Argwanend luisterden we tientallen keren naar het repetitieve, doch niet steeds identiek klinkende gekwetter dat deze rare snuiter produceerde. Het duurde zelfs tot de volgende dag tot we zagen dat het beestje plotseling wegvloog vanuit de kruin van de boom. Het was dus geen stukje electronica, geplaats door de uitbater van de hostel :) [later kwamen we erachter dat de vogel een Tui is, die ieder seizoen anders "zingt"]
Na een stevig ontbijt trokken we Mount Eden op. De voormalige vulkaan biedt een magnifiek panorama van Auckland en zijn omgeving. “What was the name of this hill again?”, vraagt een Amerikaanse toeriste. “Wait for me, I first make picture”, klinkt het in ‘Japans-Engels’. Iedereen vindt zijn weg naar de top van de Mount.
Bij de eerste de beste fietsenhandelaar die op ons pad lag, schaften we ons nog enkele zaken aan die cruciaal zijn voor het goede verloop van een dergelijke fietstocht. Zonder kettingolie en lagervet komt een mens immers niet ver.
In Auckland downtown loopt de voetganger in een continue schaduw van de buildings. Als het mag, steekt hij diagonaal de drukke Queen Street over, zoals je dat ook in Londen of Tokyo ziet. Na zelf dwars over het kruispunt te gaan, komen we bij toeval op Aotea Square terecht. De beelden van fotograaf & milieuactivist Yann Arthus Bertrand, daar tentoon gesteld, maken van ons weer een kleine mens.
Dat grote steden ons niet euforisch kunnen maken, wordt nogmaals bevestigd. In Auckland is eigenlijk geen fluit te zien.
We kijken erg uit naar het eerste contact tussen billen & zadel. Vandaag maken Laurie & ik alles klaar voor vertrek. We’re ready to hit the road!
Schiphol’s kerosinegeur zorgde toch voor een lichte stijging van adrenaline in ons lichaam. Het is menens nu. Het inchecken werd een fluitje van een cent. Wanneer onze familie uit het zicht verdwenen was, meldden we ons bij gate G 07. Een weg terug was er niet meer, dat beseften we maar al te goed.
Na een uitstekende vlucht landden we in Singapore, waar het al om half zes ’s morgens 25 graden celcius was. We moesten 16 uur in transit blijven.
We vulden de tijd op de luchthaven o.a. met een bezoek aan de vlindertuin (u leest het goed!). Vanuit een neo-vintage designstoel surfte Laurie op het web en schreef ik de eerste zinnen over onze ervaringen totnogtoe. En dit, met zicht op het tarmac. Toestellen vliegen af en aan. Na wat geslapen te hebben, gingen we als min of meer wakkere mensen aan boord van het vliegtuig naar Auckland, Nieuw Zeeland. Nog 10uur en we zijn er…
Zonder enige douaneperikelen en verloren of beschadigde bagage (de fietsen vormden wel degelijk een risico, wisten we) kwamen we aan de luchthavenshuttle die ons naar de hostel zou brengen.
Hoe weet je dat je ver van huis bent? Wanneer de eerste vogel die je hoort klinkt als een drumcomputer. No kiddin’, guys! Argwanend luisterden we tientallen keren naar het repetitieve, doch niet steeds identiek klinkende gekwetter dat deze rare snuiter produceerde. Het duurde zelfs tot de volgende dag tot we zagen dat het beestje plotseling wegvloog vanuit de kruin van de boom. Het was dus geen stukje electronica, geplaats door de uitbater van de hostel :) [later kwamen we erachter dat de vogel een Tui is, die ieder seizoen anders "zingt"]
Na een stevig ontbijt trokken we Mount Eden op. De voormalige vulkaan biedt een magnifiek panorama van Auckland en zijn omgeving. “What was the name of this hill again?”, vraagt een Amerikaanse toeriste. “Wait for me, I first make picture”, klinkt het in ‘Japans-Engels’. Iedereen vindt zijn weg naar de top van de Mount.
Bij de eerste de beste fietsenhandelaar die op ons pad lag, schaften we ons nog enkele zaken aan die cruciaal zijn voor het goede verloop van een dergelijke fietstocht. Zonder kettingolie en lagervet komt een mens immers niet ver.
In Auckland downtown loopt de voetganger in een continue schaduw van de buildings. Als het mag, steekt hij diagonaal de drukke Queen Street over, zoals je dat ook in Londen of Tokyo ziet. Na zelf dwars over het kruispunt te gaan, komen we bij toeval op Aotea Square terecht. De beelden van fotograaf & milieuactivist Yann Arthus Bertrand, daar tentoon gesteld, maken van ons weer een kleine mens.
Dat grote steden ons niet euforisch kunnen maken, wordt nogmaals bevestigd. In Auckland is eigenlijk geen fluit te zien.
We kijken erg uit naar het eerste contact tussen billen & zadel. Vandaag maken Laurie & ik alles klaar voor vertrek. We’re ready to hit the road!
Abonneren op:
Posts (Atom)